Spreekwoorden met `Het gaat`

Zoek

8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Het gaat`

  1. als het niet gaat zoals het moet, dan moet het zoals Het gaat (=als de ideale situatie niet haalbaar is, moet je je aanpassen aan de omstandigheden.)
  2. doorgaan tot Het gaatje (=doorzetten tot het einde is bereikt)
  3. Het gaat aan zijn neus voorbij (=hij loopt iets mis)
  4. Het gaat hem/haar voor de wind (=hij/zij heeft geluk)
  5. Het gaat van sassenbloed (=het gaat met grote opofferingen gepaard)
  6. Het gaat zo zijn gangetje (=het verloopt rustig, zonder ups en downs)
  7. het komt te paard en Het gaat te voet. (=ziekte en ongeluk komen vaak heel plotseling, maar het duurt lang voordat men weer hersteld is)
  8. tot Het gaatje gaan (=volhouden)

15 betekenissen bevatten `Het gaat`

  1. het houdt geen rooi (=Het gaat de perken te buiten)
  2. een kind kan de was doen (=Het gaat heel makkelijk)
  3. het loopt in`t honderd (=Het gaat helemaal mis)
  4. het gaat van sassenbloed (=Het gaat met grote opofferingen gepaard)
  5. de klad zit er in (=Het gaat niet goed)
  6. niet om de knikkers, maar om het spel (=Het gaat niet om het winnen, maar om het spel)
  7. er zit geen schot in de zaak (=Het gaat niet vooruit)
  8. de haring braadt hier niet (=Het gaat niet zoals het zou moeten)
  9. het is de toon die de muziek maakt (=Het gaat om de manier waarop iets gezegd wordt)
  10. een streep door de rekening. (=Het gaat onverwacht niet door)
  11. bergafwaarts gaan (=Het gaat steeds slechter, bijvoorbeeld met iemands gezondheid)
  12. het kan er mee door (=Het gaat wel, het is aanvaardbaar)
  13. weer of geen weer (=hoe het weer ook is, Het gaat door)
  14. daar kan je gif op innemen (=je mag er zeker van zijn dat Het gaat gebeuren)
  15. zonder aanzien des persoons (=zonder iemand voor te trekken; zonder er rekening mee te houden om wie Het gaat)

50 dialectgezegden bevatten `Het gaat`

  1. `t git (=Het gaat) (Nijmeegs)
  2. 'et giet weer niet deur (=Het gaat weer niet door) (Hoogeveens)
  3. 't droetj vierkant (=Het gaat niet goed) (Meers)
  4. 't ê nie zuste (=Het gaat niet goed) (Kortrijks)
  5. 't es doar de grooëte luxe (=Het gaat er luxueus aan toe) (Waregems)
  6. 't es en betjn oan 't slabakken (=Het gaat niet goed vooruit zoals gewenst) (Ninoofs)
  7. 't es goe jag, zulle! (=Het gaat goed, hoor!) (Harelbeeks)
  8. 't es Màrja lànkwirk (=Het gaat traag vooruit, het sleept lang aan) (Waregems)
  9. 't foetert nie (=Het gaat niet goed) (Veurns)
  10. 't gaat skoftig (=Het gaat super) (Westfries)
  11. 't geet mien dunne deur 'n darm (=Het gaat slecht met mij) (Achterhoeks)
  12. 't geet roar tou boe geen dier oan ès (=Het gaat raar dicht waar geen deur aan is.) (Genker)
  13. 't gi (=Het gaat wel) (Lierops)
  14. 't gieët wi-j snuf (=Het gaat gemakkelijk) (Weerts)
  15. 't Giet ow goed, bi'j al wa-j doet. (=Het gaat je goed, bij alles wat je doet.) (Vechtdals)
  16. 't gijt aans as aans (=Het gaat niet zo als als we gewoon zijn) (Westerkwartiers)
  17. 't gijt met hang'n en wurg'n (=Het gaat zeer moeizaam) (Westerkwartiers)
  18. 't gijt oareg nuver (=Het gaat aardig goed) (Westerkwartiers)
  19. 't gijt om 't spel, niet om 'e knikkers (=Het gaat er niet om wie wint, Het gaat om de gezelligheid) (Westerkwartiers)
  20. 't gijt piano an (=Het gaat heel rustig aan) (Westerkwartiers)
  21. 't gijt wel aan (=Het gaat redelijk) (Westerkwartiers)
  22. 't goa niet deure (=Het gaat niet door / afgelast) (Waregems)
  23. 't goa veuruit gelaak buuneknupe (=Het gaat traag vooruit) (Gents)
  24. 't got over zèn out (=Het gaat te ver) (Meers)
  25. 't haddelt (=Het gaat zo zo) (Zichers)
  26. 't is goe jacht (=Het gaat vooruit) (Veurns)
  27. 't is kort kjieërn (=Het gaat snel) (Kaprijks)
  28. 't Is van de kluuëten tegen 't bart (=Het gaat mis) (Lokers)
  29. 't Kun minder (=Het gaat goed) (Drents)
  30. 't lopt op roltjes (=Het gaat van een leien dakje) (Westerkwartiers)
  31. 'T löp oe in'n drek (=Het gaat je niet lukken) (Twents)
  32. 't stropt ieverangst (=Het gaat er niet in, het is verstopt) (Sint-Niklaas)
  33. 't zal wel koelen zonder bloazen (=Het gaat vanzelf wel over) (Wichels)
  34. 't Zit effen dikke, 't Goa kattejongen spuien (=Het gaat zo dadelijk regenen) (West-Vlaams)
  35. ‘t zit sleed’op (=Het gaat wat stug) (Kaprijks)
  36. ' t gaot er batterren (=Het gaat er tegen zitten) (Nijlens)
  37. ' t is wir botter toe dun bojum (=Het gaat weer goed tussen hen :) (Astens)
  38. ' t kun een stuk minder (=Het gaat heel goed) (Drents)
  39. Ach, ut mag wel zo we'en! (=Het gaat goed met mij) (Hoogeveens)
  40. als`t nait gait zoas`t mot, mot`t moar zoas`t gait (=als het niet gaat zoals het moet, moet het maar zoals Het gaat) (Hogelandsters)
  41. As de knieper an boord komp (=Als Het gaat knijpen, als het er op aan komt) (Giethoorns)
  42. as te kraeë bijéénkoeëme en vieël lëwaeëd maokë, geet ët raengërë (=hoor je de kraaien veel lawaai maken, wees dan maar zeker dat Het gaat regenen) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. As't nait gait zoas't mot, mot't mor zoas't gait (=Als het niet gaat zoals het moet, moet het maar zoals Het gaat) (Gronings)
  44. assët geet onwaere, lope de vérke mèt ne wès strau èn hun maul (=als Het gaat onweren, hebben de varkens een garve stro in hun muil) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. best gaan (=Het gaat goed) (Texels)
  46. D' er zit veel poer acht'r (=Het gaat goed vooruit) (Hansbeeks)
  47. d' r zit geeëne skoif in (=Het gaat niet vooruit) (Waregems)
  48. da got ier au wivven regenen. (=Het gaat hard regenen.) (Vrasens)
  49. da ma(r)sjeer nie, 't affeseert nie (=dit werkt niet, Het gaat niet vooruit) (Wichels)
  50. das éne zaupmért (=Het gaat hem alleen maar om het zuipen) (Munsterbilzen - Minsters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen