Spreekwoorden met `Boo`

Zoek

50 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Boo`

  1. aan de vruchten kent men de Boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  2. aan een Boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  3. achter de puttings overBoord vallen (=reddeloos verloren zijn)
  4. als een blad van een Boom veranderen/omkeren (=geheel anders gaan gedragen)
  5. als een pijl uit de Boog (zijn) (=snel vertrekken)
  6. als het schip lek is, gaan de ratten van Boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  7. avondrood, mooi weer aan Boord (=na een rode avondlucht volgt mooi weer)
  8. Boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
  9. Boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
  10. Boontjes uit water eten. (=een eenvoudige maaltijd.)
  11. botertje aan de Boom zijn / het is botertje tot de Boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  12. buig de Boom als hij jong is (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
  13. de appel valt niet ver van de stam/Boom (=kinderen lijken vaak op de ouders)
  14. de Boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  15. de Boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  16. de Boot afhouden (=niet meedoen - afwachten)
  17. de Boot is aan (=de maat is vol)
  18. de Boot missen (=te laat zijn)
  19. de eigen Boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  20. de kat uit de Boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
  21. door de kajuitsramen aan Boord komen (=onmiddellijk bevelhebber worden, zonder eerste ondergeschikte te zijn geweest)
  22. door het kluisgat aan Boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
  23. een blauwe Boon (=een kogel)
  24. een Boom van een kerel (=een grote man)
  25. een Boom(pje) opzetten (=een informele discussie starten)
  26. een dood paard aan een Boom binden (=overdreven voorzichtig zijn)
  27. een heilig Boontje zijn (=erg braaf doen, maar niet altijd braaf zijn)
  28. een kind om een Boodschap sturen. (=niet de juiste persoon iets op laten lossen)
  29. een oude Boom moet je niet verpoten. (=ouderen houden niet van veranderingen)
  30. eerst in de Boot keur van de riemen (=wie eerst komt, kan eerst kiezen)
  31. er de Boot mee ingaan (=iets hebben ondernomen, dat tot een totale mislukking heeft geleid)
  32. geen Boodschap aan iets hebben (=er zich niets van aantrekken)
  33. geen man over Boord zijn (=iets is niet zo erg, het had veel erger gekund)
  34. het is bar en Boos (=het is heel erg; het is heel slecht)
  35. iemand in de Boot nemen (=met iemand een grap uithalen)
  36. iemand om een Boodschap sturen (=iemand een opdracht laten uitvoeren)
  37. je Boontjes op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen)
  38. kantje Boord (=op het nippertje)
  39. meer dan een pijl op zijn Boog hebben (=meerdere oplossingen weten)
  40. meer pijlen op zijn Boog hebben (=meer kunnen dan reeds laten zien)
  41. onder de vijgenBoom rusten (=in rust en welstand leven)
  42. ook de beste Boom geeft slechte vruchten (=zelfs goede ouders kunnen kinderen hebben die het verkeerde pad inslaan.)
  43. op de Boom verkopen (=boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn)
  44. overBoord werpen (=niet langer gebruiken, ervan afzien)
  45. uit de Boot vallen (=een eigen gang gaan)
  46. van stuurBoord naar bakBoord zenden (=van het kastje naar de muur sturen)
  47. veel pijlen op zijn Boog hebben (=veel middelen, talenten hebben)
  48. vloeken als een Bootwerker/kartouw/ketellapper/ketter (=onbeheerst vloeken)
  49. waar de Boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  50. wie in een Boomgaard werkt mag er uit eten / van de druiven eten. (=voordeel halen uit je werk.)

19 betekenissen bevatten `Boo`

  1. wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof (=als je wordt teleurgesteld, kun je gemakkelijk Boos worden)
  2. op de boom verkopen (=Boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn)
  3. met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=Boos naar iemand toe gaan of Boos bij iemand binnen komen)
  4. op je poot spelen (=Boos uitvallen)
  5. in de gordijnen klimmen (=Boos worden)
  6. de gal loopt over (=Boos worden)
  7. met een staand zeil (=driftig, Boos)
  8. met een opgestoken zeil (=driftig, Boos)
  9. een bedrijvige Martha zijn (=een zeer ijverige vrouw zijn (Martha= bijbels symBool voor hardwerkende huisvrouw))
  10. gauw op de teentjes getrapt zijn (=erg gauw Boos en beledigd zijn)
  11. de stoom komt uit zijn oren (=hij is heel erg Boos)
  12. kwaad bloed zetten (=iemand Boos maken)
  13. iemand tegen zich in het harnas jagen (=iemand door eigen toedoen Boos maken)
  14. uit zijn slof schieten (=kwaad uitvallen, Boos worden)
  15. tegen de vleug strijken (=prikkelen, Boos maken)
  16. kortaangebonden zijn (=snel Boos zijn)
  17. van de wieg tot aan het graf (=van de geBoorte tot aan de dood)
  18. op hoge poten (=zeer Boos, verontwaardigd)
  19. op de achterste benen/poten staan (=zeer verontwaardigd of Boos zijn.)

Eén dialectgezegde bevat `Boo`

  1. ne Boo optrèkkë (=bouwen) (Munsterbilzen - Minsters)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen