50 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Boo`
- aan de vruchten kent men de Boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
- aan een Boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
- achter de puttings overBoord vallen (=reddeloos verloren zijn)
- als een blad van een Boom veranderen/omkeren (=geheel anders gaan gedragen)
- als een pijl uit de Boog (zijn) (=snel vertrekken)
- als het schip lek is, gaan de ratten van Boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
- avondrood, mooi weer aan Boord (=na een rode avondlucht volgt mooi weer)
- Boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
- Boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
- Boontjes uit water eten. (=een eenvoudige maaltijd.)
- botertje aan de Boom zijn / het is botertje tot de Boom (=alles gaat goed zonder problemen)
- buig de Boom als hij jong is (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
- de appel valt niet ver van de stam/Boom (=kinderen lijken vaak op de ouders)
- de Boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
- de Boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
- de Boot afhouden (=niet meedoen - afwachten)
- de Boot is aan (=de maat is vol)
- de Boot missen (=te laat zijn)
- de eigen Boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
- de kat uit de Boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
- door de kajuitsramen aan Boord komen (=onmiddellijk bevelhebber worden, zonder eerste ondergeschikte te zijn geweest)
- door het kluisgat aan Boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
- een blauwe Boon (=een kogel)
- een Boom van een kerel (=een grote man)
- een Boom(pje) opzetten (=een informele discussie starten)
- een dood paard aan een Boom binden (=overdreven voorzichtig zijn)
- een heilig Boontje zijn (=erg braaf doen, maar niet altijd braaf zijn)
- een kind om een Boodschap sturen. (=niet de juiste persoon iets op laten lossen)
- een oude Boom moet je niet verpoten. (=ouderen houden niet van veranderingen)
- eerst in de Boot keur van de riemen (=wie eerst komt, kan eerst kiezen)
- er de Boot mee ingaan (=iets hebben ondernomen, dat tot een totale mislukking heeft geleid)
- geen Boodschap aan iets hebben (=er zich niets van aantrekken)
- geen man over Boord zijn (=iets is niet zo erg, het had veel erger gekund)
- het is bar en Boos (=het is heel erg; het is heel slecht)
- iemand in de Boot nemen (=met iemand een grap uithalen)
- iemand om een Boodschap sturen (=iemand een opdracht laten uitvoeren)
- je Boontjes op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen)
- kantje Boord (=op het nippertje)
- meer dan een pijl op zijn Boog hebben (=meerdere oplossingen weten)
- meer pijlen op zijn Boog hebben (=meer kunnen dan reeds laten zien)
- onder de vijgenBoom rusten (=in rust en welstand leven)
- ook de beste Boom geeft slechte vruchten (=zelfs goede ouders kunnen kinderen hebben die het verkeerde pad inslaan.)
- op de Boom verkopen (=boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn)
- overBoord werpen (=niet langer gebruiken, ervan afzien)
- uit de Boot vallen (=een eigen gang gaan)
- van stuurBoord naar bakBoord zenden (=van het kastje naar de muur sturen)
- veel pijlen op zijn Boog hebben (=veel middelen, talenten hebben)
- vloeken als een Bootwerker/kartouw/ketellapper/ketter (=onbeheerst vloeken)
- waar de Boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
- wie in een Boomgaard werkt mag er uit eten / van de druiven eten. (=voordeel halen uit je werk.)
19 betekenissen bevatten `Boo`
- wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof (=als je wordt teleurgesteld, kun je gemakkelijk Boos worden)
- op de boom verkopen (=Boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn)
- met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=Boos naar iemand toe gaan of Boos bij iemand binnen komen)
- op je poot spelen (=Boos uitvallen)
- in de gordijnen klimmen (=Boos worden)
- de gal loopt over (=Boos worden)
- met een staand zeil (=driftig, Boos)
- met een opgestoken zeil (=driftig, Boos)
- een bedrijvige Martha zijn (=een zeer ijverige vrouw zijn (Martha= bijbels symBool voor hardwerkende huisvrouw))
- gauw op de teentjes getrapt zijn (=erg gauw Boos en beledigd zijn)
- de stoom komt uit zijn oren (=hij is heel erg Boos)
- kwaad bloed zetten (=iemand Boos maken)
- iemand tegen zich in het harnas jagen (=iemand door eigen toedoen Boos maken)
- uit zijn slof schieten (=kwaad uitvallen, Boos worden)
- tegen de vleug strijken (=prikkelen, Boos maken)
- kortaangebonden zijn (=snel Boos zijn)
- van de wieg tot aan het graf (=van de geBoorte tot aan de dood)
- op hoge poten (=zeer Boos, verontwaardigd)
- op de achterste benen/poten staan (=zeer verontwaardigd of Boos zijn.)
Eén dialectgezegde bevat `Boo`
- ne Boo optrèkkë (=bouwen) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen