49 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Boo`1) aan de vruchten kent men de Boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders) 2) aan een Boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden.) 3) achter de puttings overBoord vallen (=reddeloos verloren zijn) 4) als een pijl uit de Boog (zijn) (=snel vertrekken) 5) als het schip lek is, gaan de ratten van Boord. . (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek) 6) Boompje groot, plantertje dood. (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien.) 7) Boontje komt om zijn loontje. (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen) 8) botertje aan de Boom zijn / Het is botertje tot de Boom (=alles gaat goed zonder problemen) 9) de appel valt niet ver van de stam/Boom (=kinderen lijken vaak op de ouders (bijz. inzake karakter)) 10) de Boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen) 11) de Boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben) 12) de Boot afhouden (=niet meedoen - afwachten) 13) de Boot is aan (=de maat is vol) 14) de Boot missen (=te laat zijn.) 15) de eigen Boontjes doppen (=de eigen zaken regelen) 16) de kat uit de Boom kijken. (=een afwachtende houding aannemen) 17) door de kajuitsramen aan Boord komen (=onmiddellijk bevelhebber worden, zonder eerste ondergeschikte te zijn geweest) 18) door de kluisgaten aan Boord gekomen zijn (=bevelhebber worden na het doorlopen van alle lagere rangen) 19) door het kluisgat aan Boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden) 20) een blauwe Boon (=een kogel) 21) een Boom van een kerel. (=een grote man.) 22) een Boom(pje) opzetten (=een informele discussie starten.) 23) een dood paard aan een Boom binden. (=overdreven voorzichtig zijn.) 24) een heilig Boontje zijn (=erg braaf zijn) 25) eerst in de Boot keur van de riemen (=wie eerst komt, kan eerst kiezen) 26) ergens de Boot mee ingaan. (=iets hebben ondernomen, dat tot een totale mislukking heeft geleid.) 27) ergens zijn Boontjes op te weken leggen (=stellig op iets rekenen (dat helemaal niet zeker is)) 28) geen Boodschap aan iets hebben (=er zich niets van aantrekken) 29) geen heilig Boontje zijn (=zich niet altijd even braaf voordoen) 30) geen man over Boord zijn (=iets is niet zo erg, het had veel erger gekunt) 31) het is bar en Boos. (=het is heel erg; het is heel slecht.) 32) iemand in de Boot nemen (=met iemand een grap uithalen) 33) iemand om een Boodschap sturen (=iemand een opdracht laten uitvoeren) 34) iemand van bakBoord naar stuurBoord zenden (=steeds niet geholpen worden maar wel doorverwezen worden naar anderen) 35) kantje Boord (=op het nippertje) 36) meer dan een pijl op zijn Boog hebben (=meerdere oplossingen weten) 37) meer pijlen op zijn Boog hebben (=meer kunnen dan reeds laten zien) 38) men moet de Boom buigen als die jong is. (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd) 39) onder de vijgeBoom rusten (=in rust en welstand leven) 40) op de Boom verkopen (=boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn) 41) over Boord werpen (=niet langer gebruiken, ervan afzien) 42) pijlen op zijn Boog (=mogelijkheden in zijn mars) 43) uit de Boot vallen (=een eigen gang gaan) 44) van stuurBoord naar bakBoord zenden (=van het kastje naar de muur sturen) 45) veel pijlen op zijn Boog hebben (=veel middelen, talenten hebben) 46) vloeken als een Bootwerker/kartouw/ketellapper/ketter (=onbeheerst vloeken) 47) waar de Boom gevallen is, blijft hij liggen. (=gedane zaken nemen geen keer.) 48) zijn Boontjes op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen) 49) zijn eigen Boontjes doppen. (=geen beroep doen op hulp van anderen; zijn eigen problemen zelf oplossen.) 20 betekenissen bevatten `Boo`1) wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof. (=als je wordt teleurgesteld, kun je gemakkelijk Boos worden.) 2) op de boom verkopen (=Boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn) 3) op stang jagen/rijden (=Boos maken) 4) met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=Boos naar iemand toe gaan of Boos bij iemand binnen komen) 5) op zijn poot spelen. (=Boos uitvallen.) 6) de gal loopt over (=Boos worden) 7) in de gordijnen klimmen (=Boos worden) 8) op je achterste benen gaan staan. (=Boos worden; ergens fel tegen protesteren; het ergens helemaal niet mee eens zijn.) 9) met een opgestoken zeil (=driftig, Boos) 10) met een staand zeil (=driftig, Boos) 11) uit zijn slof schieten (=erg Boos worden, erg actief worden) 12) gauw op de teentjes getrapt zijn (=erg gauw Boos en beledigd zijn) 13) kwaad bloed zetten (=iemand Boos maken) 14) iemand tegen zich in het harnas jagen (=iemand door de eigen toedoen Boos maken) 15) een potje kunnen breken (bij iemand) (=iemand wordt niet gauw Boos) 16) tegen de vleug strijken (=prikkelen, Boos maken) 17) kortaangebonden zijn (=snel Boos zijn) 18) van de wieg tot aan het graf (=van de geBoorte tot aan de dood) 19) op hoge poten. (=zeer Boos, verontwaardigd.) 20) op zijn achterste poten gaan staan (=zo veel mogelijk moeite doen / Boos worden) Het dialectenwoordenboek kent 241 spreekwoorden met `Boo`1) Sevenums: `geërfd ` hebben (=geBoorte in een gezin) 2) Weerts: ' Nne Boor en e vêrreke knorre altiêd (=Een boer is nooit tevreden) 3) vilvoords: 'gkon commisse doon (=Ik ga Boodschappen doen) 4) Arendonks: 'k em van diej van ohs oep m'n kleuwe-eh gekrege (=mijn vrouw was Boos) 5) Zeeuws-vlaams: 'k zou d'r m'n bôôntjes niet op te weke leggen (=ik zou er niet al te zeker van zijn) 6) Overmeers: 'n bole haat (=een stuk stam (Boom)) 7) Overmeers: 'n kloontsen Bootre (=een kluitje boter) 8) Weerts: 'n Niêver wiêf en 'n niêver hin, bringe Booter int vaat en ei-jer op d'n din (=Een hard werkende vrouw wordt gewaardeerd) 9) Westerkwartiers: 'n pis Boodschapke (=een Boodschapje van niks) 10) Weerts: 'ne Boor en e vêrke knorre altiêd (=Boeren klagen altijd) 11) Steins: 't Book is òmgedrage (=Het is afgegelopen/over !!) 12) Heerlens: 't Book is um-gedrage (=je bent te laat) 13) Westerkwartiers: 't Boov'mste moet eerst uut de zak (=waar men vol van is praat men over) 14) leefdaals: 't es 't ophave wet ('t (het kind)is het ophouden waard) (=proficiat bij geBoorte) 15) Westerkwartiers: 't groeit mij Boov'm de kop (=ik heb het overzicht niet meer) 16) Westerkwartiers: 't heule kakje viel onnersteBoov'm (=het hele zoodje viel om) 17) Westerkwartiers: 't is van 't Boovm'ste bordje (=het is van zeer goede kwaliteit) 18) Sint-Niklaas: 't kinnekkun é kinnekkussuiker gekakt (=suikerbonen bij geBoorte) 19) achterhoeks: 't nös onder 'n Boom hebb'n liggen (=Gescheiden) 20) Veurns: 't profiet kunn'n opraap'n mi j'n elleBoog'n (=weinig winst maken) 21) Veurns: 't sop is de Booën'n nie wèèrd (=het is het niet waard) 22) Zottegems: 't zal nog van de neuze in de mond druppen (=loontje komt om zijn Boontje) 23) Klemskerks: (h)oet va' woajBoomm: uitdrukking door timmerlieden gebruikt voor slecht, minderwaardig hout (=hout van waaibomen) 24) West-Vlaams: a ten appel te verre van den bome valt (=Den appel valt te ver van den Boom) 25) Gents: aa ee in main roâpe geschéte (=hij heeft mij gedwarsBoomd) 26) Weerts: Aan de vaere kindje de vuuëgel (=De appel valt niet ver van de Boom) 27) Munsterbilzen - Minsters: Aater Haarieke van de Knaajnkes on de bêm èn Eek hoch de Sjutteraaj van Eek hunne Boom ston, tësse de kiëzebeem (=Achter 'Huis Gregoor' had de schutterij van Eik haar schietstand, tussen de kersenbomen.) 28) Zaans: Alle vrachies lichte zai de skipper, en gooide ze vrouw overBoord (=Dat scheelt weer, in bagage/in gewicht) 29) Schevenings: Alles wel an Boord! (=Alles goed! 1.) 30) Munsterbilzen - Minsters: ammel de Boom èn ! (=jullie mogen me gestolen worden !) 31) Westerkwartiers: an de vrucht'n ken je de Boom (=aan de resultaten kent men de mensen) 32) Weerts: as 'nne pestoeër boeëtermèllek dreenktj en 'nne Boor wiên, staeke ze allebei-j in gein good vel (=doe je niet anders voor dan je bent) 33) Bilzers: aste ént Bootsje zits, moeste métroeje (=je doet er beter aan door mee te werken) 34) Twents: At n hemmel vaalt brekt alle Boonnstökke (=als iemand zich onnodig zorgen maakt) 35) Munsterbilzen - Minsters: auttet zelfde hoot gesnieë (=de appel valt niet ver van de Boom) 36) Hulshouts: Baa tjoste bjompke droatem vrum (=Aan de eerste Boom draaide hij terug) 37) Weerts: baeter kleine Boor as groeëte knecht (=onafhankelijk zijn) 38) Walshoutems: Baloene pakke in de wermeshof onder de makrauseleer (=Meikevers vangen in de tuin onder de seringenBoom) 39) Zeeuws: bestie Boord (=plank in de bedstee) 40) Snekers: Boadskappen doën bij Poiesz (=Boodschappen halen bij Poiesz) 41) Snekers: Boadskappen hale bij de Poiesz (=Boodschappen halen bij Poiesz) 42) Westerkwartiers: boas Boov'm boas (=baas boven baas) 43) Westerkwartiers: boas Boov'm boas (=nog beter dan best) 44) Avelgems: Boentsies ploeisn (=Boontjes kuisen) 45) Lichtervelds: boîmtje groît, vintje doîd (=een Boom leeft langer dan een mens) 46) Riemsts: Bok bone mit vèldkèèkes (=Boontjes met gevogelte) 47) Opglabbeeks: cemmissies doon (=Boodschappen doen) 48) Kerkdriels: D'nne Heuzendrieler is een Pool. (=Een Hoenzadrielenaar valt niet ver van de Boom.) 49) Westerkwartiers: d'r gijt niks Boov'm grunn'n (=er gaat niets boven groningen) 50) Westerkwartiers: d'r word'n gien vreders geBoor'n, die word'n moakt (=(te) veel eten wordt een gewoonte) 0 1 2 3 4 Volgende Bron
De spreekwoorden en gezegden zijn voor het grootste deel afgeleid van Wikiquote:
Nederlandstalige spreekwoorden,
Nederlandstalige gezegden en Wikipedia:
Lijst van Nederlandse spreekwoorden.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Tips en mededelingen Tip: Weet u spreekwoorden die typisch zijn voor uw dialect? Voeg ze toe in het dialectenwoordenboek en het verschijnt automatisch in deze lijst. | WoordenboekSpreekwoordenVertalenEncyclopedieRecente zoekopdrachtenTussen haakjes staat het aantal gevonden spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegden• Boo (49) • tevredenheid (1) • Eigen haard is goud waard (1) • Ext (2) • op een goudschaaltje wegen (1) • voorbij (6) • praten al (3) • de appel valt niet ver (1) • grond gelijk maken (1) • adder (5) • ESEM (1) • boontje (7) • boer (20) • de dingen op hun kop zetten (1) • zeggen (22) | |||||||
| © Woorden.org MMXI | Over woorden.org | Gebruikersvoorwaarden | Woord begint met... | ||||||||