| Uitspraak: | [hɑk] |
| Verbuigingen: | hakken (meerv.) |
| Voorbeelden: | `schoenen met hoge hakken`, `naaldhakken` | |
| de hakken in het zand zetten | (iets proberen tegen te houden, je verzetten) |
| van de hak op de tak springen | (telkens over een ander onderwerp gaan praten) |
| een hak zetten | ((iemand) benadelen) |
| op de hak nemen | (een grap maken over (iemand)) `De cabaretier nam de premier op de hak.` Synoniem: beetnemen |
