zonnig

bijv.naamw.
Uitspraak:  zɔnəx]

1) als de zon (vaak) schijnt
Voorbeelden:  `een zonnig klimaat`,
`een zonnig terras`

2) (van iemand) blij
Voorbeelden:  `in een zonnige bui zijn`,
`een zonnig humeur`
Synoniemen:  opgewekt, vrolijk

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
blijmoedig dartel fideel fleurig geestig jolig kleurig kwiek levendig licht lustig monter opgeruimd opgetogen opgewekt uitgelaten vrolijk wakker welgemoed

Taaladvies
Zonnigere / zonniger seizoenen: Mag de buigings-e weg in zonniger(e) seizoenen?

5 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bijvoegelijk naamwoord] blootgesteld aan de zon; het is hier -, de zon schijnt hier sterk.
  2. met veel zonneschijn vb: het was een zonnige dag een zonnig humeur [vrolijk]
  3. Een dag waarop de gemiddelde bedekkingsgraad van 7, 11, 15 en 19 uur minder dan 1-8 bedraagt en het op geen enkel moment van die dag meer dan 2-8 bedekt is.
  4. •zonovergoten, met zonneschijn.
  5. 1) Blijmoedig 2) Fideel 3) Helder 4) Jolig 5) Kwiek 6) Levendig 7) Levenslustig 8) Licht 9) Lustig 10) Met meer zon 11) Met veel zon 12) Monter 13) Opgetogen 14) Opgewekt...
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `zonnig`.