resideren

werkw.
Uitspraak:  [rezi'derə(n)]
Vervoegingen:  resideerde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geresideerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

ergens wonen of verblijven
Voorbeeld:  `In Vaticaanstad bevindt zich het Apostolisch Paleis, waar de paus officieel resideert.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
gezeten zijn leven logeren verblijfplaats hebben verblijven wonen zetelen

2 definities op Encyclo
  1. 1) Hof houden 2) Leven 3) Logeren 4) Verblijf houden 5) Verblijven 6) Wonen 7) Zetelen 8) Zijn woonplaats hebben
  2. wonen Jaar van herkomst: 1467 (HWS )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
resideren (wonen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 94% van de Nederlanders en 92% van de Vlamingen het woord `resideren`.