vastknopen

werkw.
Uitspraak:  ['vɑs(t)knopə(n)]
Vervoegingen:  knoopte vast (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft vastgeknoopt (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) twee of meerdere dingen aan elkaar knopen
Voorbeeld:  `twee stukken touw vastknopen`
Synoniem:  knopen

2) twee dingen samenvoegen, verbinden
Voorbeeld:  `ergens een waardeoordeel aan vastknopen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aan elkaar binden aan elkaar knopen aanknopen binden knopen sjorren strikken

Spreekwoorden en zegswijzen
• er geen touw aan kunnen vastknopen (=er niets van begrijpen)
Naar de spreekwoorden

1 definitie op Encyclo
  1. 1) Aan elkaar vast maken 2) Aanknopen 3) Binden 4) Knopen 5) Sjorren 6) Strikken 7) Verbinden
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
vastknopen