spugen

werkw.
Uitspraak:  [ˈspyxə(n)]
Vervoegingen:  spuugde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gespuugd (volt.deelw.)

1) (spuug) krachtig uit je mond laten gaan
Voorbeeld:  `op de grond spugen`
Synoniem:  spuwen

2) de inhoud van je maag uit je mond laten gaan
Voorbeeld:  `Na elke voeding spuugt ze een beetje terug.`
Synoniemen:  overgeven, braken

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
braken kotsen overgeven schuimbekken spuwen uitbraken vomeren

Taaladvies
Is het mogelijk om in de uitdrukking zijn gal spuwen (`zijn boosheid uiten`) het werkwoord spuwen te vervangen door spugen? Zie Zijn gal spugen / zijn gal spuwen

Intensiveringen
Hoe kun je met spugen een ander begrip versterken?
spuuglelijk; spuugzat; zat als gespogen spek;

5 definities op Encyclo
  • •speeksel uit de mond doen uitschieten. (+audio)
  • wat in je maag zit weer naar buiten laten komen vb: mijn zoontje moest vannacht spugen Synoniemen: overgeven braken kotsen vocht in je mond met kracht naar buiten laten k...
  • 1) Braken 2) Kitsen 3) Kotsen 4) Kwakken 5) Overgeven 6) Schuimbekken 7) Spouwen 8) Spuwen 9) Uitbraken 10) Vomeren
  • door de mond uitwerpen Jaar van herkomst: 1657 (WNT )
  • Op gevonden voorwerpen moet je driemaal spugen om eventuele beheksing op te heffen.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op spugen:
    bespugenuitspugen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    spugen = spuwen