kaan

zelfst.naamw. (de)
Verbuigingen:  kanen
Verbuigingen:  kaantje

1) knapperig uitgebakken overblijfsel van een stuk(je) varkensspek ook wel uitgebakken speklap, (met of zonder zwoerd)

2) een vliezige bovenlaag
Voorbeeld:  `Op beschimmelend bier vormt zich een kaan.`


Bron: WikiWoordenboek.

6 definities op Encyclo
  • Let op: Spelling van 1858 het vliezige overblijfsel van uitgesmolten vet. Kaankoek
  • stukje uitgebraden spek of vet; kaantje
  • bootje - Jaar van herkomst: 1599 (Kil. ) stukje uitgebraden spek - Jaar van herkomst: 1305-1370 (MNW )
  • (Kaan, kahn) 1> verbastering van Keen. (zie ook bij 3) 2> door sommigen gebruikt voor de grote sleepschepen, meestal sleepkasten, die de Rijn bevoeren. N.B.: het Duitse w...
  • (1) Schipper. (2) Platbodem van de Noordduitse rivieren, gebruikt als vrachtschuit.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met kaan:
    kaantjekaantjes

    Deze woorden eindigen op kaan:
    AfrikaanalkaanAmerikaanbekaanCentraal-AfrikaanMarokkaanMartinikaanMekkaanMozambikaanNoord-AfrikaanorkaanpelikaanSri LankaanstratovulkaanvulkaanZuid-Afrikaan

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. kaan (bootje)
    2. kaan (griet, soort vis)
    3. kaan (stukje uitgebraden spek)
    4. kaan = keen (suikerriet)