snauwen

werkw.
Uitspraak:  [ˈsnɑuwə(n)]
Vervoegingen:  snauwde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gesnauwd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

boos en kortaf praten (tegen iemand)
Voorbeeld:  `Ze snauwde tegen me dat ik een rotvent ben.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afbekken afblaffen afsnauwen bitsen grauwen toebijten toesnauwen

6 definities op Encyclo
  1. Te gebruiken voor brikken met een bezaan met gaffeltuig, een gaffelzeil, aan een kleine hulpmast vlak achter de grote mast, de druil.
  2. Te gebruiken voor brikken met een bezaan met gaffeltuig, een gaffelzeil, aan een kleine hulpmast vlak achter de grote mast, de druil. Categorie: Vervoermiddelen > brikken...
  3. kortaf en bits zijn, onvriendelijke woorden zeggen vb: hij snauwde: blijf daar van af!
  4. [Nederlands] Onvriendelijke woorden zeggen
  5. 1) Aanbaffen 2) Aansnauwen 3) Afbekken 4) Afblaffen 5) Afkatten 6) Afsnauwen 7) Bassen 8) Bekken 9) Bits reageren 10) Bits spreken 11) Bits toespreken 12) Bitse opmerking...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op snauwen:
afsnauwentoesnauwen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
snauwen (bits spreken)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `snauwen`.