plakken

werkw.
Uitspraak:  [ˈplɑkə(n)]
Vervoegingen:  plakte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geplakt (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) (iets) met lijm bevestigen
Voorbeeld:  `spaarzegeltjes plakken`

2) met kleefstof vastzitten
Voorbeeld:  `Deze etiketjes blijven niet plakken op een glazen pot.`
Synoniem:  kleven
ergens blijven plakken  (langer ergens blijven dan de bedoeling was)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aan elkaar hangen aan elkaar kleven aaneenplakken iets vastkleven kleven klitten lijmen vastkleven vastlijmen vastplakken loslaten (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• de mis aan de muur plakken (=niet naar de mis gaan (verzuimen))
Naar de spreekwoorden

9 definities op Encyclo
  1. met lijm of plakband vastmaken vb: we hebben alle foto's in een album geplakt ergens aan vast blijven zitten vb: als plakband oud is, dan plakt het niet meer Synoniem: kl...
  2. Abstract: Van `hakken en plakken` (analyseren en synthetiseren) Tekst: Zie voor meer informatie synthese.
  3. (Bargoens, 1914) arresteeren, aanhouden
  4. •lijmen , kleven.
  5. 1) Aandrukken 2) Aaneenhechten 3) Aaneenlijmen 4) Aaneenplakken 5) Aaneenvoegen 6) Aankleven 7) Bevestigen 8) Blijven hangen 9) Ergens lang blijven 10) Gommen 11) Hechten...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op plakken:
afplakkenbeplakkenwildplakken

Herkomst volgens etymologiebank.nl
plakken (kleven, doen kleven)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `plakken` kennen.