plakken

werkw.
Uitspraak:  [ˈplɑkə(n)]
Vervoegingen:  plakte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geplakt (volt.deelw.)

1) (iets) met lijm bevestigen
Voorbeeld:  `spaarzegeltjes plakken`

2) met kleefstof vastzitten
Voorbeeld:  `Deze etiketjes blijven niet plakken op een glazen pot.`
Synoniem:  kleven
ergens blijven plakken  (langer ergens blijven dan de bedoeling was)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aan elkaar hangen aan elkaar kleven aaneenplakken iets vastkleven kleven klitten lijmen vastkleven vastlijmen vastplakken loslaten (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• de mis aan de muur plakken (=niet naar de mis gaan (verzuimen))
Naar de spreekwoorden

Taaladvies
In het Groene Boekje staat zowel stikker als sticker. Mag je dat woord inderdaad op twee manieren schrijven? Zie Sticker / stikker

8 definities op Encyclo
  • met lijm of plakband vastmaken vb: we hebben alle foto's in een album geplakt ergens aan vast blijven zitten vb: als plakband oud is, dan plakt het niet meer Synoniem: kl...
  • Abstract: Van `hakken en plakken` (analyseren en synthetiseren) Tekst: Zie voor meer informatie synthese.
  • (Bargoens, 1914) arresteeren, aanhouden
  • •lijmen , kleven.
  • ==Werkwoord== ==Zelfstandig naamwoord== ...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op plakken:
    afplakkenbeplakkenwildplakken

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    plakken (kleven, doen kleven)