afplakken

werkw.
Uitspraak:  ['ɑfplɑkə(n)]
Vervoegingen:  plakte af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft afgeplakt (volt.deelw.)

(iets) beplakken om het af te dekken
Voorbeelden:  `bij het schilderen de plinten afplakken met tape`,
`blote borsten op een poster afplakken`

© Kernerman Dictionaries.

2 definities op Encyclo
  • (=)x De plek waar tijdens een toneelstuk decor en attributen komen te staan.
  • Het gebruik van een oogpleister bij occlusietherapie over het goede oog om het 'luie oog' te stimuleren om beter te functioneren
  • Toon uitgebreidere definities