de partner

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [ˈpɑrtnər]
Verbuigingen:  partner|s (meerv.)

1) iemand met wie je samenleeft
Voorbeeld:  `geen vaste partner hebben`
Synoniem:  levensgezel

2) iemand met wie je samenwerkt of samenspeelt
Voorbeelden:  `bridgepartner`,
`zakenpartner`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bondgenoot compagnon danspartner deelgenoot echtgenoot eega gez gezel gezellin levensgez levensgezel levenspartner maat man medefirmant medestan medestander medestrij medestrijder vennoot zakenpartner

19 definities op Encyclo
  1. Als uw werknemer getrouwd is of als hij zijn partnerschap bij de burgerlijke stand heeft laten registreren, dan heeft hij automatisch een fiscaal partner (behalve als de ...
  2. Als partner wordt beschouwd degene met wie de deelnemer voor zijn of haar pensionering en uiterlijk voor zijn of haar 60ste (PNO Pensioenregeling 1) of 65ste (PNO Pensioe...
  3. De echtgenoot van een gehuwde deelnemer of de (geregistreerde) partner van de, volgens de pensioenregeling, ongehuwd samenwonende deelnemer.
  4. Degene met wie gedanst wordt
  5. Let op: Spelling van 1858 Eng., handelsgenoot, compagnon, deelhebber; mededanser
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met partner:
partnerkerkpartnerkeuzepartnerkeuzenpartnerkeuzespartnerorganisatiepartnerregisterpartnerregistratiepartnerruilpartnerspartnerschappartnerschappenpartnerschapsregistratiepartnerstad

Deze woorden eindigen op partner:
bridgepartnergesprekspartnerhuwelijkspartnerketenpartnersparringpartnergedoogpartnerzakenpartner

Herkomst volgens etymologiebank.nl
partner (compagnon, deelgenoot, wederhelft)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `partner` kennen.