trainen

werkw.
Uitspraak:  [ˈtrenə(n)]
Vervoegingen:  trainde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft getraind (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

regelmatig oefenen van een bepaalde sport of vaardigheid
Voorbeelden:  `iemand trainen voor het kampioenschap`,
`hard trainen voor de komende wedstrijd`,
`een paard trainen in het nemen van een hoge hindernis`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
africhten bekwamen coachen dier africhten dresseren harden oefenen ontwikkelen opleiden

4 definities op Encyclo
  1. oefeningen doen met je lichaam vb: ze trainde voor de zwemwedstrijden oefeningen laten doen om iemand voor te bereiden op een moeilijke taak vb: Artsen zonder Grenzen tra...
  2. 1) Africhten 2) Bekwamen 3) Coachen 4) Dresseren 5) Entraineren 6) Harden 7) Lichaamsoefening 8) Oefenen 9) Oefenen in een bepaalde vaardigheid 10) Oefenen voor een wedst...
  3. Trainen wordt in de Van Dale gedefinieerd met twee betekenissen: `stelselmatig oefenen in een tak van sport` en `oefenen in een bepaalde vaardigheid`. Iemand die vaak ha...
  4. oefenen Jaar van herkomst: 1573 (WNT Bijv.+verb. )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op trainen:
aftrainenbraintrainenhometrainen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
trainen (oefenen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `trainen`.