instorten

werkw.
Uitspraak:  ɪnstɔrtə(n)]
Vervoegingen:  stortte in (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is ingestort (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) kapotgaan en neervallen
Voorbeeld:  `De kerktoren is ingestort.`
Synoniem:  in elkaar storten
op instorten staan  (bijna helemaal kapot zijn) `Mijn auto is zo slecht dat hij op instorten staat.`

2) (van personen) geestelijk en lichamelijk helemaal uitgeput raken
Voorbeeld:  `Ik kon niet meer tegen alle ellende en ben toen volledig ingestort.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
achteruitgaan afknappen bezwijken imploderen ineenstorten neerstorten tenondergaan teruggaan vergaan verrotten verteren wegrotten zinken

Spreekwoorden en zegswijzen
instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je instorten krachtiger uitdrukken?
als een kaartenhuis ineenstorten;

3 definities op Encyclo
  1. in stukken uit elkaar vallen vb: het oude gebouw is half ingestort ziek en depressief worden vb: na drie maanden werken is hij weer ingestort
  2. • [erga] zwichten voor de zwaartekracht. •tweede betekenisomschrijving. •enz.
  3. 1) Achteruitgaan 2) Afknappen 3) Bezwijken 4) Een inzinking hebben 5) Imploderen 6) In elkaar klappen 7) In elkaar vallen 8) In elkaar zakken 9) In stukken in elkaar vall...
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `instorten` kennen.