stamelen

werkw.
Uitspraak:  [ˈstamələ(n)]
Vervoegingen:  stamelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gestameld (volt.deelw.)

met moeite en met onderbrekingen praten of (iets) zeggen
Voorbeeld:  `Hij was zo verliefd dat hij alleen maar lieve woordjes kon stamelen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
hakkelen haperen stotteren

4 definities op Encyclo
  • •onsamenhangend en onzeker spreken. •tweede betekenisomschrijving. •enz.
  • het met moeite en onderbrekingen zeggen vb: hij stamelde dat hij spijt had
  • 1) Frazelen 2) Gebrekkig praten 3) Gebrekkig spreken 4) Gebroken praten 5) Hakkelen 6) Hakkelend praten 7) Haperen 8) Haperend spreken 9) Niet behoorlijk uit zijn woorden...
  • gebrekkig spreken Jaar van herkomst: 1240 (Bern. )
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    stamelen (gebrekkig spreken)