brengen

werkw.
Uitspraak:  [ˈbrɛŋə(n)]
Vervoegingen:  bracht (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gebracht (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) (naar een plaats) vervoeren
Voorbeelden:  `iemand naar het station brengen`,
`boodschappen aan huis brengen`
Antoniem:  halen
morgen brengen!  (dat zal niet gebeuren!)

2) zorgen dat iemand in een bepaalde situatie komt
Voorbeeld:  `in gevaar brengen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aangeven aanleveren aanrichten afgeven afleveren begeleiden bestellen betonen bezorgen langs brengen leveren meebrengen overhandigen rondbrengen thuisbezorgen toeleveren halen (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn huid zelf ter markt brengen (=zichzelf verdedigen)
• tot de bedelstaf/bedelzak brengen (=alle aardse bezittingen ontnemen)
• op straat brengen (=uitbrengen, bekend maken)
• onder zijn scepter brengen (=ondergeschikt maken)
• onder het oog brengen (=doen opmerken)
Toon alle 22 spreekwoorden die brengen bevatten

5 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] [onregelmatig] (ik bragt, heb gebragt), aanvoeren, leiden, aandragen, bezorgen; afgeven (aan huis); een pakje -;...
  2. daarheen vervoeren of begeleiden vb: ze brengt de kinderen naar school morgen brengen! [dat gebeurt niet!]
  3. •ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
  4. 1) Aangeven 2) Aanleveren 3) Aanrichten 4) Aanrukken 5) Aanvoeren 6) Aanzetten 7) Afgeven 8) Afleveren 9) Begeleiden 10) Bestellen 11) Betonen 12) Bezorgen 13) Doen toeko...
  5. vervoeren Jaar van herkomst: 901-1000 (WPS )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op brengen:
aanbrengenafbrengenbijbrengenbijeenbrengenbinnenbrengendoorbrengengrootbrengeninbrengenmeebrengenonderbrengenopbrengenoverbrengenfarbrengenheruitbrengenrondbrengensamenbrengenterugbrengenteweegbrengenthuisbrengentoebrengen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
brengen (aandragen)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `brengen` kennen.