afbrengen

werkw.
Uitspraak:  ['ɑvbrɛŋə(n)]
Vervoegingen:  bracht af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft afgebracht (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1)
iemand afbrengen van een idee of voornemen  (iemand laten stoppen met wat hij denkt of van plan is) `iemand afbrengen van een vooroordeel`

2)
het er goed (van) afbrengen  (goed afsluiten) `De gecrashte autocoureur heeft het er levend (van) afgebracht`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afleiden

5 definities op Encyclo
  1. echt Nederlandsche handelswoorden (1914):weer vlot maken; in diep water brengen.
  2. door te praten hem ermee laten stoppen vb: ik heb hem van dat plan afgebracht het op een bepaalde manier doen vb: we hebben het er goed van afgebracht
  3. Het schip van de plaats waar het aan de grond zit naar dieper water brengen, zodat het vlot raakt.
  4. 1) Afleiden 2) Afpraten
  5. een vastgevaren schip van een droogte halen. Echter ook wel gebruikt voor een schip van de helling in het water brengen.
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 90% van de Nederlanders en 94% van de Vlamingen het woord `afbrengen`.