bouwen

werkw.
Uitspraak:  [ˈbɑuwə(n)]
Vervoegingen:  bouwde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gebouwd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

een gebouw maken
Voorbeeld:  `een huis bouwen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanleggen construeren opbouwen rekenen

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn tabernakelen bouwen (=zich vestigen met het doel lang te blijven)
• op zand bouwen (=zich op niets baseren)
• op de garf/garve bouwen (=land bebouwen met betaling van de pacht met een deel van de oogst)
• kastelen in de lucht bouwen (=zich illusies maken)
• huizen op iemand kunnen bouwen (=sterk op iemand kunnen vertrouwen)
Toon alle 6 spreekwoorden die bouwen bevatten

8 definities op Encyclo
  1. maken uit losse onderdelen vb: hij bouwt een huis een feestje bouwen [een feestje organiseren] je kunt op hem bouwen [hij is heel betrouwbaar]
  2. • [ov] een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen. • [inerg] "~+ op" zich verlaten op.
  3. boven rok
  4. Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk of standplaats.
  5. Uit `De lagere vaktalen: Taal der bouwbedrijven` 1914 de kalk bouwen: bereiden.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met bouwen:
bouwen op

Deze woorden eindigen op bouwen:
afbouwenbebouwenbijgebouwenflambouwengebouwenherbouweninbouwenkarbouwenombouwenonderbouwenopbouwenschoolgebouwenvolbouwententoonstellingsgebouwenuitbouwenverbouwenaanbouwen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. bouwen (het land bewerken, een huis optrekken)
  2. bouwen (zijden bovenrok)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `bouwen` kennen.