boeren

werkw.
Uitspraak:  [ˈburə(n)]
Vervoegingen:  boerde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geboerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) een boer laten horen
Voorbeelden:  `moeten boeren door wat je gegeten hebt`,
`Van bier moet je boeren.`

2) een boerenbedrijf hebben landbouw
goed boeren  (veel geld verdienen)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
agrariërs burpen kokhalzen oprispen oprispingen provincialen resultaten van werk zien

Spreekwoorden en zegswijzen
• zo vraagt men de boeren de kunst af (=zo verneem je hoe het moet)
• wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
• goed boeren / goed geboerd hebben (=succesvol geweest zijn, vooral financieel)
• een droge maart en een natte april is de boeren naar hun wil (=weerspreuk)
• De domste boeren hebben de dikste aardappelen (=Met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
Toon alle 7 spreekwoorden die boeren bevatten

6 definities op Encyclo
  1. bewoners op het platteland
  2. Zij die land bewerken of bebouwen of vee houden, voornamelijk als hun belangrijkste bezigheid. Categorie: Personen > personen in de landbouw.
  3. Begrippenlijst: Dekolonisatie - Blanke, grotendeels Nederlandse kolonisten, vooral veehouders, die zich in Zuid-Afrika hadden gevestigd.
  4. Uit `De lagere vaktalen: Diamantbewerking` 1914 zie boer.
  5. (ructus) - , meteorisme , spijsverteringsstoornissen
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met boeren:
boerenbedrijfboerenbedrogboerenbuitenboerengolfboerengolfenboerengolftboerengolfteboerengolftenboerenheikneuterboerenkaffersboerenkarboerenkarhengstboerenkielboerenkinkelboerenkinkelsboerenkolenboerenkoolboerenkoolstamppotboerenmarktenboerenomelet
Toon alle woorden die beginnen met boeren

Deze woorden eindigen op boeren:
aardappelboereneierboerengroenteboerenherenboerenkaasboerenkeuterboerenkippenboerenkoffieboerenkolenboerenmelkboerenveeboerenvisboerenvoddenboeren
Toon alle woorden die eindigen op boeren

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. boeren (het boerenbedrijf uitoefenen)
  2. boeren (oprispingen maken)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `boeren` kennen.