afreizen

werkw.
Uitspraak:  ['ɑfrɛizə(n)]
Vervoegingen:  reisde af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft, is afgereisd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) op reis gaan (naar een bestemming)
Voorbeeld:  `afreizen naar Turkije voor een vakantie`

2) reizen door (een gebied)
Voorbeeld:  `heel Nederland afreizen voor de lekkerste haring`
Synoniem:  bereizen
stad en land afreizen  (overal naar toe gaan) `stad en land afreizen om popconcerten bij te wonen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aflopen doortrekken heengaan opstappen rondlopen smeren verdwijnen verlaten vertrekken verwijderen weggaan wegreizen wegtrekken

3 definities op Encyclo
  1. op reis gaan vb: in juli zijn we afgereisd naar Italië
  2. • [erga] een plaats verlaten om aan een reis te beginnen
  3. 1) Aflopen 2) Doortrekken 3) Heengaan 4) Opstappen 5) Rondlopen 6) Smeren 7) Uitvaren 8) Verdwijnen 9) Verlaten 10) Vertrekken 11) Verwijderen 12) Weggaan 13) Wegreizen 1...
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 97% van de Vlamingen het woord `afreizen`.