I het verleden

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [vərˈledə(n)]

tijd die voorbij is
Voorbeeld:  `een roemrijk verleden`
Antoniemen:  toekomst, heden
breken met het verleden  (het verleden vergeten en de dingen voortaan anders doen)
een verleden hebben  (vroeger ongunstige dingen hebben gedaan of meegemaakt hebben)


II verleden

bijv.naamw.
Uitspraak:  [vərˈledə(n)]

vorig
Voorbeeld:  `verleden week`
Antoniem:  komend
Synoniem:  vroeger
Dat is verleden tijd.  (dat is voor altijd voorbij)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
achtergrond afgelopen historie jongstleden voorafgaand voorgaand vorig vroeger heden (antoniem)komend (antoniem)toekomst (antoniem)volgend (antoniem)

Taaladvies
Heeft afgelopen week dezelfde betekenis als verleden week of vorige week? Zie Afgelopen / verleden / vorige week

4 definities op Encyclo
  • •de voorafgaande tijd , dat wat voorbij is. (+audio)
  • tijd die voorbij is vb: oude mensen praten vaak over het verleden een crimineel verleden hebben [in het verleden veroordeeld zijn voor een misdrijf]
  • [Vlaamse woorden] vorige
  • 1) Achtergrond 2) Afgelopen 3) De tijd die voorbij is 4) Eer 5) Eertijds 6) Gedaan 7) Gepasseerd (v. akte) 8) Geschiedenis 9) Historie 10) Jongstleden 11) Lang geleden 12...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met verleden:
    verleden deelwoordverleden tijd

    Deze woorden eindigen op verleden:
    arbeidsverledenonderwijsverledenoverleden

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. verleden (bn. vorig; zn. voorbije tijd)
    2. verleden (ww. verdrieten)