Spreekwoorden met `zwijgen`

Zoek

8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zwijgen`

  1. er het zwijgen toe doen (=er niets over zeggen)
  2. er is een tijd van spreken en er is een tijd van zwijgen. (=soms is het beter om niets te zeggen)
  3. horen zien en zwijgen (=wel waarnemen, maar er verder niets van zeggen)
  4. iemand het zwijgen opleggen (=er met niemand over mogen praten en niemand iets mogen vertellen)
  5. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  6. zwijgen als het graf (=helemaal niets zeggen en/of totaal niets over iets vertellen)
  7. zwijgen en denken zal niemand krenken. (=denk na voor je iets zegt wat pijn kan doen)
  8. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)

10 betekenissen bevatten `zwijgen`

  1. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  2. er niet over uit kunnen (=er niet over kunnen zwijgen, er zwaar door getroffen zijn)
  3. iets in de doofpot stoppen (=ergens totaal niet meer over praten, verzwijgen)
  4. zo dicht als een pot zijn (=goed kunnen zwijgen/geheimen bewaren)
  5. iemand de mond snoeren (=iemand verbieden iets te zeggen / tot zwijgen brengen)
  6. iets met de mantel der liefde bedekken (=iets niet met anderen bespreken maar stilzwijgen en accepteren)
  7. iets in zijn schild voeren (=iets van plan zijn, een geheim hebben, stilzwijgend een plan uitvoeren)
  8. man en paard noemen (=niets verzwijgen)
  9. de mond snoeren (=tot zwijgen brengen)
  10. maak geen slapende honden wakker (=zwijgen over iets, om te voorkomen dat een autoriteit op het idee komt om er werk van te maken)

48 dialectgezegden bevatten `zwijgen`

  1. a sjik afbijten (=u tegen je zin zwijgen) (Erps)
  2. aetë en maul tau (=aan tafel moet je zwijgen) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. aste niks baetër wiës te vërtëlle, zwigste baetër (=je kan beter zwijgen dan onzin uit te kramen) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. aud aun bek en au pluimen (=zwijgen dat je zweet) (Lokers)
  5. dae hilt zënen tetter geen sëkon (=hij kan geen momentje zwijgen) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. dat’m na ne kieër kost zwijgen (=dat hij nu 's kon zwijgen) (Meers)
  7. die kan zwiege van twelf oor toet middig (=zij kan niet zwijgen) (Heitsers)
  8. één de mond snoer' n (=iemand tot zwijgen brengen) (Westerkwartiers)
  9. één overtroev'm (=iemand het zwijgen opleggen) (Westerkwartiers)
  10. ei es z'n muile nie méster (=hij kan niet zwijgen) (Wetters)
  11. et moete goej spraekers zin daaj zwijgers konne verbaetere (=spreken is zilver, zwijgen is goud) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. ewd uwe smiekol -êwd eu muile - êk stroent geroepe, toch? (=ge moet zwijgen) (Gents)
  13. Ge kunt èselik goed zwège (=Je kan heel goed zwijgen) (Tilburgs)
  14. ge moet joen mulle oen hi (=ge moet zwijgen gij) (Werviks)
  15. ge moet ou muijle ou'en (=je moet zwijgen) (Oudenhoofs)
  16. ge mut jen mulle od' n (=je moet zwijgen) (Zuid-West-Vlaams)
  17. gènne praot van maake (=Ergens over zwijgen) (Genneps)
  18. gie moet je mulle odn (=je moet zwijgen) (West-Vlaams)
  19. goi je nui allemolle ne keè zwij'n (=wilt u nu allemaal eens zwijgen) (Waregems)
  20. hij ken de lipp'm goed dicht holl'n (=hij kan zwijgen als het graf) (Westerkwartiers)
  21. ich zal dich ëns ë tauntsje leiger loëte zinge (=ik zal je eens doen zwijgen en kalm blijven) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. ie lit ut achterste van zn tonge nie zien (=zwijgen) (Zeeuws)
  23. iemes te mond snoere (=iemand het zwijgen opleggen) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. je mag je muulle oeden (=je mag zwijgen) (Ostêns)
  25. noeit ni zwoigen toidens de lessen! (=nooit zwijgen tijdens de lessen) (Aalsters)
  26. oed je mulle (=zwijgen) (Heuvellands)
  27. spreike is zilvâh zwège is gâhd (=spreken is zilver zwijgen is goud) (Haags)
  28. sprikt oaj groît zyt (=een kind moet zwijgen) (Lichtervelds)
  29. stommen ambacht doen (=mokkend zwijgen (ook: gebarentaal gebruiken)) (Wichels)
  30. Ut zien goej proaters die de zwiegers kunnen verbètere (=Spreken is zilver, maar zwijgen is goud) (Zurriks)
  31. Vërtèl nie al waste wiës, mèr wiët waol goed woste vërtëls (=spreken is zilver, zwijgen is goud) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. zain tong ingeslikt èn (=niets meer zeggen, zwijgen) (Hulsters (NL))
  33. zau een vroo moet nog geboeërë wieëne (=horen, zien en zwijgen) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. ze muul' oed'n (=zwijgen) (Veurns)
  35. ze zweeg ien zeuv'm toal'n (=ze deed er het zwijgen toe) (Westerkwartiers)
  36. zeine bek in zein ploimen haven (=weten waneer men 'terecht 'moet zwijgen) (Buggenhouts)
  37. zen koake oepieën haave (=zwijgen) (Winksels)
  38. zën lippe stijf opeenhage (=zwijgen als een graf) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. zen toot nie kunnen augen (=niet kunnen zwijgen) (Meers)
  40. zènnen bebber augen (=zwijgen) (Meers)
  41. zich lotte maulkürve (=het zwijgen laten opleggen) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. zijn toot nie kunnen aan (=niet kunnen zwijgen) (Moes)
  43. zwèègen èn wèès kèèke (=zwijgen en wijs kijken) (Tilburgs)
  44. Zwieg'n ku nie verbeeterd zien (=zwijgen is goud waard) (Veurns)
  45. Zwiegen en denken kan gin mense krenken (=Met zwijgen en denken krenk je niemand) (Twents)
  46. Zwijg' n as ne peirdereedre (=zwijgen als vermoord) (Hansbeeks)
  47. zwijgen as tër daud (=zwijgen als een lijk) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. zwijgen dagge zwetj (=geen woord zeggen) (Meers)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen