Spreekwoorden met `zi`

Zoek


970 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zi`

  1. aan de beterende hand zijn (=langzaam genezen, herstellen)
  2. aan de boemel zijn (=fuiven)
  3. aan de fep zijn (=(overmatig) drinken)
  4. aan de groene tafel zitten (=bestuurslid zijn)
  5. aan de grond zitten (=bankroet of totaal uitgeput zijn)
  6. aan de kwakkel zijn (=last hebben van de gezondheid)
  7. aan de middelhand zitten (=niet eerst of laatst moeten spelen)
  8. aan de orde van de dag zijn (=vaak voorkomen)
  9. aan de pimpel zijn (=sterkedrank drinken)
  10. aan de scharrel zijn (=verkeren zonder verloofd of getrouwd te zijn)
  11. aan de Turken overgeleverd zijn (=slecht behandeld, bedrogen, mishandeld worden)
  12. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  13. aan de voorhand zijn/zitten (=voorrang hebben)
  14. aan de zwabber zijn (=een onbezorgd leventje leiden)
  15. aan de zwier zijn (=uitgaan, drinken)
  16. aan een goed kantoor zijn (=op de juiste plaats zijn)
  17. aan een oor doof zijn (=iets niet willen horen)
  18. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  19. aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  20. aan gene zijde van het graf (=na de dood)
  21. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  22. aan het eind van zijn akker zijn (=het geld is op)
  23. aan het eind van zijn Latijn zijn (=uitgeput zijn)
  24. aan het laatje zitten (=bij de bron zitten / geld hebben)
  25. aan het roer zitten/staan (=de leiding hebben)
  26. aan het verkeerde kantoor zijn (=iemand die je niet kan helpen)
  27. aan het vinkentouw zitten (=in spanning iets afwachten en graag door willen)
  28. aan zijn broek krijgen (=ermee opgescheept worden)
  29. aan zijn eerste leugen niet gebarsten en voor zijn tweede niet opgehangen zijn (=een grote leugenaar zijn)
  30. aan zijn eindje vasthouden (=zijn standpunt handhaven)
  31. aan zijn gerief komen (=vinden wat men nodig heeft (inz. seksuele behoeften))
  32. aan zijn neus hangen (=hem inlichten)
  33. aan zijn snoer rijgen (=tot volgeling maken)
  34. aan zijn trekken komen (=krijgen wat diegene graag wilt en fijn/leuk vindt)
  35. aanzien doet gedenken (=wat men met eigen ogen gezien heeft, is gemakkelijker te onthouden)
  36. Abraham gezien hebben (=50 jaar of ouder zijn)
  37. achter de rug zijn (=voorbij zijn)
  38. achter de veren zitten (=opjagen)
  39. achter de vodden zitten (=opjagen)
  40. achter iets zitten (=er de oorzaak van zijn)
  41. achterin de fuik zit de paling (=je moet geduld hebben)
  42. Aken en Keulen zijn niet op één dag gebouwd (=voor een uitgebreide klus heb je meer tijd nodig)
  43. al zijn kruit verschoten hebben (=geen verdere oplossingen meer weten - niet meer verder kunnen)
  44. al zijn patronen verschieten (=alle mogelijkheden uitproberen)
  45. alle dagen geen vetpot zijn (=er is armoede)
  46. alle molenaars zijn geen dieven (=scheer niet iedereen over dezelfde kam)
  47. alle scheuten zijn geen rozen. (=uiterlijk bedriegt; niet alles is van hoge kwaliteit.)
  48. alle tij heeft zijn weertij (=alles heeft een keerzijde)
  49. alle vloed heeft zijn weerloop. (=soms zit het mee en soms zit het tegen)
  50. alle vrijers zijn rijk. (=door verliefdheid de negatieve dingen van je partner niet zien)

1331 betekenissen bevatten `zi`

  1. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  2. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt)
  3. buiten spel blijven (=(willen) proberen niet betrokken te zijn)
  4. het zwaard aangorden (=(zich klaarmaken om) de strijd aan (te) binden)
  5. Abraham gezien hebben (=50 jaar of ouder zijn)
  6. zes kruisjes hebben (=60 jaar oud zijn)
  7. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  8. op het kussen zitten (=aan de macht zijn)
  9. aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  10. bakkerskinderen eten oud brood. (=aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  11. bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
  12. plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
  13. ruw laten stikken (=aan zijn lot overlaten)
  14. in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
  15. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
  16. het achter de ellebogen hebben (=achterbaks; zonder zijn zelfzuchtige bedoelingen te laten zien)
  17. uit iemands hand eten. (=afhankelijk zijn.)
  18. je snor drukken (=afwezig blijven / zijn werk niet doen)
  19. onder water zijn (=afwezig zijn)
  20. het lood al in de bil hebben (=al gestraft zijn voor iets. (geschoten zijn met een loden kogel))
  21. de lijdensbeker tot de bodem ledigen (=al het slechte, tot het laatste toe, over zich heen krijgen)
  22. op je hoede zijn (=alert en voorzichtig zijn.)
  23. een oogje in het zeil houden (=alert zijn)
  24. vroeg opstaan (=alert zijn voor bedrog)
  25. tot de bedelstaf/bedelzak brengen (=alle aardse bezittingen ontnemen)
  26. geld stinkt niet (=alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan)
  27. het doel heiligt de middelen (=alle middelen zijn toegelaten, zolang het doel maar bereikt wordt)
  28. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  29. achter de wolken schijnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter)
  30. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  31. je ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
  32. alle tij heeft zijn weertij (=alles heeft een keerzijde)
  33. de kruik gaat zolang te water tot zij barst (=alles heeft zijn beperkingen)
  34. eet geen paaseieren op goede vrijdag (=alles op zijn tijd, het feest niet te vroeg vieren)
  35. de volle laag krijgen (=alles over zich heen krijgen)
  36. je hebben en houwen verliezen (=alles wat iemand bezit kwijtraken)
  37. komt men over de hond, dan komt men over de staart (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf)
  38. als de kat zich wast, komt er gewis een gast (=als de kat zich wast komt er visite.)
  39. liggende maan, staande matrozen. (=als de maan op zijn kant staat komt er storm op zee)
  40. als het voeten heeft (=als de omstandigheden gunstig zijn)
  41. de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
  42. in het donker zijn alle katten grijs/grauw (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen)
  43. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  44. kies het minste van twee kwaden (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)
  45. als het hek van de dam is lopen de varkens in het koren (=als er geen toezicht is springen kinderen of ondergeschikten uit de band)
  46. als de kat van honk is dansen de muizen op tafel (=als er geen toezicht is, doen de ondergeschikten hun zin)
  47. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  48. bij nacht zijn alle katjes grauw en alle mondjes even nauw (=als het erop aankomt zijn we allen gelijk)
  49. als de maan vol is schijnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien)
  50. een pakje wordt een zakje. (=als je een probleem niet aanpakt kan het zich uitbreiden en erger worden.)

10 dialectgezegden bevatten `zi`

  1. avventuurn't au ne kieër zi (=waag het eens) (Wichels)
  2. ge zi gie zekerst zot! (=Ik ben van mening dat hetgene u vertelt nonsens is.) (Lauws)
  3. ge zi nog stommer dan 't achterste van een veirken (=je bent echt dom) (Sinnekloases en niekaarks)
  4. ge zi wok t skerpste mes nie uit t skof é gie (=uw inteligentiepeil voldoet niet aan de vereisten) (West-vlaams)
  5. hai zi (=hij zei) (Boakels)
  6. Mok mo Dajje Zjirre Vwurt zi (=ga weg) (Kortrijks)
  7. wuk zi hi ant doen? (=wat ben jij aan het doen?) (Iepers)
  8. ze haote me zi den duvel, mer ik maok 't er ok um (=je vraagt er ook om) (Heezers)
  9. ze mos pisse zi ze en mêe toen ze zaat toen zêek ze! (=ze moest plassen zei ze en meteen toen ze zat toen plaste ze.) (Tilburgs)
  10. zi schiet och hoewger as der goat zit. (=zij is verwaand) (Budels)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen