Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


17 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vast`

  1. aan zijn eindje vasthouden (=zijn standpunt handhaven)
  2. alles wat los en vast is/zit (=alles)
  3. daar is wel wachten maar geen vasten naar (=dat zal niet gauw gebeuren)
  4. dat is zo vast als een huis (=dat is zeker)
  5. er geen touw aan vast kunnen knopen (=door de onduidelijkheid niet kunnen begrijpen wat er wordt bedoeld)
  6. ergens geen houvast aan hebben (=er weinig mee kunnen doen)
  7. geen touw aan vast te knopen (=totaal onbegrijpelijk)
  8. je hart vasthouden (=ernstig zorgen maken, bang zijn dat het mis gaat)
  9. niet erg vast in de schoenen staan (=zich gemakkelijk laten ompraten)
  10. van de houvast zijn (=gierig of mager zijn)
  11. vast in het zadel zitten (=zeker van iemands positie zijn in een organisatie)
  12. vast in het zadel zitten. (=Een leider die niet makkelijk uit zijn positie te verwijderen is)
  13. vast in zijn schoenen staan (=erg zeker zijn)
  14. vaste grond onder de voeten hebben (=weten waar men op steunt - in een goede positie verkeren)
  15. vaste voet aan de grond krijgen (=iets gedaan krijgen en/of als gebruikelijk beschouwd gaan worden)
  16. zijn lijn vasthouden (=voortgaan volgens de vanaf het begin gehanteerde aanpak)
  17. zo vast staan als een muts met zeven keelbanden (=erg vast staan)

20 betekenissen bevatten `vast`

  1. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  2. je kop erbij houden (=blijven opletten, aandacht vasthouden)
  3. de lens is uit de wagen (=de zaak is vastgelopen)
  4. een bodem in de markt leggen (=een minimumprijs vastleggen)
  5. er niet van tussen kunnen (=er aan vastzitten)
  6. er niet mee getrouwd zijn (=er niet aan vastzitten, er niet toe verplicht zijn)
  7. slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
  8. zo vast staan als een muts met zeven keelbanden (=erg vast staan)
  9. slot noch zin (=geen touw aan vast te knopen)
  10. De rook kan het hangerijzer niet deren (=Het heeft geen zin te proberen iets dat vast staat te veranderen)
  11. iets uit het hoofd laten (=het vaste voornemen hebben om iets na te laten, iets niet doen)
  12. iemand bij de lurven pakken (=iemand stevig vastpakken)
  13. iemand in de tang nemen (=iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen. / Iemand in zijn macht hebben)
  14. onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
  15. oude bokken hebben stijve horens (=oude mensen hebben vaak vaste gewoontes die maar moeilijk kunnen veranderen)
  16. een garnaal heeft ook een hoofd (=schertsend gezegd van een kind dat koppig aan zijn mening vasthoudt)
  17. de drie h s op de rug hebben (=vast zitten, niet weg kunnen komen)
  18. ergens zijn tanden inzetten (=vasthoudend zijn, niet snel opgeven)
  19. als het melk regent, staan mijn schotels omgekeerd (=wanneer ergens iets voordeligs te verkrijgen valt, loop ik het steevast mis)
  20. iemand zien aankomen (=weten waar hij over zal beginnen, zich er alvast tegen wapenen)

Het dialectenwoordenboek kent 66 spreekwoorden met `vast`

  1. Weerts: zoeë drök as de pân met vastelaovundj (=flink eten tijdens carnaval zo vlak voor de vasten)
  2. Munsterbilzen - Minsters: zen taan trèn zètte (=zich vastbijten)
  3. Walshoutems: Dje kreig ter gi verloat van (=Beklijven, aanklampen, vastklampen)
  4. Bilzers: haj ès niemes te snoere (=ik kan niemand vastkrijgen)
  5. Veurns: Etwieën bie 't gat van ze broek pakk'n (=Iemand vastgrijpen)
  6. Bilzers: mèt zene koljee pakke (=bij zijn nekvel vastgrijpen)
  7. Waregems: ie zit versteld (=hij heeft zich met de wagen vastgereden)
  8. Gents: en resoluute (=een vastberaden vrouw)
  9. Kerkraads: vasteloavend i Kirchroa (=carnaval in Kerkrade)
  10. Zunderts: vast loown vast aarmoei (=een vaste baan)
  11. Munsterbilzen - Minsters: mèt ne stêk bau een versjet wor op vastgebonne, stoepde vër de vèsse èn de biëk (=we spitsten de vissen uit de beek op een vork die vastgemaakt was op een lange stok)
  12. Lebbeeks: boezjie: De boezjie vastagen (=Voor spek en bonen bij een vrijend stel zijn)
  13. Munsterbilzen - Minsters: de kie wonten gehied of op den teir gehod opte bêm onder de kannedasse (=de koeien werden gehoed of plaatselijk vastgepind in de beemden onder de kanadabomen)
  14. Hansbeeks: Geev mij n'andzen (=Laat mij je hand vasthouden)
  15. Westerkwartiers: voet bij stuk holl'n (=je mening vasthouden)
  16. Luyksgestels: 't zo druk hemme ès de pan mee vastenoavend (=het ergens heel druk mee hebben)
  17. Twents: Noe kan ik 't earste uur wa teg'n 'n hong'rigen boer vast'n (=Ik heb genoeg gegeten)
  18. Tilburgs: vasthaawe wè ge hèt èn vatte wè ge krèège kunt, ist èlfde gebòd. (=de wereld is vol hebzucht.)
  19. Munsterbilzen - Minsters: fiets met achteruittrap-rem (=vilo mèt vaste pinjao)
  20. Bilzers: pakmech (=hou me vast)
  21. Sint-Niklaas: geprangd zitten (=vast zitten)
  22. Antwerps: zeker en vast (=vast en zeker)
  23. Sint-Niklaas: e snufke zaat (=een beetje keukenzout dat men tussen duim en wijsvinger kan vasthouden)
  24. Westerkwartiers: dat ston muurvaast (=dat stond onwrikbaar vast)
  25. Westerkwartiers: wis en woarachteg (=vast en zeker)
  26. Brugs: van tiene elf keren (=vast en zeker)
  27. Opglabbeeks: noeg neet bekans (=zeker en vast niet)
  28. tilburgs: Doe'w nissels vaast (=Maak je schoenveters vast)
  29. Westerkwartiers: dat lopt spoak (=dat loopt vast)
  30. Westerkwartiers: pak 'em beet (=pak hem vast)
  31. Munsterbilzen - Minsters: onnem ze vel ! (=pak hem vast !)
  32. Hulsters (NL): al ze leven (=vast en zeker)
  33. Oudenbosch: da zit nog mar meejun piske vast (=dat zit nog maar net vast)
  34. Gavers: Ik at hem vaste aan t,ges (=Hij houdt stand)
  35. Brugs: j'ielt em vaste an de numeroos van d'uuzen (=hij was stomdronken)
  36. Sint-Niklaas: in de prang zitten (=in een moeilijke situatie zitten, vast zitten)
  37. Tilburgs: al zun lèève (=vast en zeker, zijn hele leven)
  38. Erps: ei eentjitten of ei eent o zenne rekker (=hij heeft het vast)
  39. Ninoofs: a trok em tegen zanne gelee (=Hij greep hem vast om...)
  40. Zeeuws: ie hi nog liever van zn heloof of voe atn za toeheven (=vast houdend)
  41. Waregems: 't n es no nie ezeid (=het staat nog niet absoluut vast)
  42. Sint-Niklaas: ei slopt gullèk een roûs (=hij slaapt rustig en vast)
  43. Westerkwartiers: zij blift op heur stuk stoan (=zij houdt haar mening vast)
  44. Hulsters (NL): tèren, tèrdag (=uit eten/drinken met een club op vereniging op een vaste dag)
  45. Brabants: hij had ut zun eigen in zunne kop gezet (=hij had het zich vast voorgenomen)
  46. Westerkwartiers: doar ken je gien stoat op moak'n (=daar kun je niet vast op rekenen)
  47. Diesters: as emet in zenne kop het dan etem et ni in zen gat (=hij houdt er koppig aan vast)
  48. Groesbeeks: hol mien vast, hol mien vast (=Ik sla je op je bek)
  49. Munsterbilzen - Minsters: hoo de aure mèr aof (=neem de tas vast met de oren !)
  50. Oudenbosch: das zo vast as un uis (=dat is zeker zo)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen