Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


378 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ts`

  1. (iets) staat op losse schroeven. (=het is onzeker, er valt niet op te bouwen.)
  2. (vaak toegeschreven aan Erasmus, maar komt iets anders al voor in de Griekse klassieken.) (=)
  3. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje)
  4. aan het kortste eind trekken (=in de ongunstigste positie zijn / verliezen)
  5. aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in raken, ermee bezig blijven)
  6. aan iets een broertje dood hebben (=ergens een grote hekel aan hebben)
  7. aan iets een mouw weten te passen (=een oplossing ergens voor weten)
  8. aan iets paal en perk stellen (=er een definitief einde aan maken)
  9. achter iets zitten (=er de oorzaak van zijn)
  10. akte van iets nemen (=er nota van nemen - onthouden)
  11. als de dood zijn voor iets (=heel erg bang zijn voor iets)
  12. als iemand die zijn laatste oortje versnoept heeft (=sip, triest)
  13. averechts uitpakken. (=helemaal verkeerd aflopen. Tegengesteld uitpakken.)
  14. bergafwaarts. (=het gaat steeds slechter, bijvoorbeeld met iemands gezondheid, of met een bedrijf.)
  15. bij de vleet (iets hebben) (=erg veel (van iets hebben))
  16. binnen de kortste keren (=bijna onmiddellijk)
  17. borgen is geen kwijtschelden (=uitstel is geen afstel)
  18. daar kan niets van inkomen (=dat zal niet lukken)
  19. dat moet je niet uitpoetsen/uitvlakken (=dat is ernstiger dan het lijkt)
  20. dat raak je aan de straatstenen niet kwijt. (=dat is niet te verkopen)
  21. dat slaat als een knots op een kangoeroe (=dat choqueert je)
  22. de bal terugkaatsen. (=op een vraag die gesteld wordt geen antwoord geven, maar een tegenvraag stellen; op een kritische opmerking van iemand reageren door zelf ook meteen een kritische opmerking te maken over de ander.)
  23. de blits maken (=opvallen)
  24. de brui aan iets geven (=ergens mee ophouden)
  25. de dans ontspringen (=niet in het onheil betrokken worden)
  26. de draak met iets steken (=ergens niets van geloven en grapjes over gaan maken)
  27. de fiets aan de haak hangen. (=stoppen met wielrennen.)
  28. de fiolen van zijn toorn uitstorten (=heftig uitvaren)
  29. de hand met iets lichten (=niet scherp opletten, het niet te streng nemen)
  30. de hand op iets leggen (=ergens aan kunnen komen)
  31. de juiste man op de juiste plaats zijn (=zeer geschikt zijn voor het werk)
  32. de kluts kwijt zijn (=in de war zijn)
  33. de koorts op het lijf jagen (=doen schrikken)
  34. de laatste der Mohikanen zijn (=de laatste zijn die nog ergens in gelooft)
  35. de laatste hand aan iets leggen (=iets afmaken/voltooien)
  36. de laatste loodjes wegen het zwaarst (=het afwerken is vaak het lastigst)
  37. de lucht van iets krijgen (=ergens van horen)
  38. de mier aan iets/iemand hebben (=een erge hekel hebben)
  39. de muts zich verkeerd staan (=een slecht humeur hebben)
  40. de nek uitsteken (=risico nemen.)
  41. de ogen uitsteken (=jaloers maken)
  42. de ogen voor iets sluiten (=oogluikend toelaten)
  43. de oren spitsen (=goed luisteren)
  44. de pest aan iets (gezien) hebben (=er een hekel aan hebben)
  45. de plaat poetsen. (=ervandoor gaan. )
  46. de rechte man op de rechte plaats (=de juiste man voor de juiste taak)
  47. de schurft aan iets hebben (=iets erg vervelend vinden)
  48. de snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen (=ik ben op goede plaatsen beland)
  49. de spits afbijten (=als eerste beginnen met iets (moeilijks))
  50. de staf over iets/iemand breken (=iets/iemand afkeuren)

945 betekenissen bevatten `ts`

  1. van de nacht een dag maken (='s nachts werken)
  2. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest. (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  3. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt.)
  4. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  5. as is verbrande turf. (=aan een belofte (as = als) heb je niets)
  6. lapsus memoriae (=aan het geheugen ontsnapt)
  7. bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
  8. tegen iets aan gooien (=aan iets besteden)
  9. het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
  10. van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets.)
  11. in zijn eigen sop gaar laten koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
  12. in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
  13. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
  14. de barricades opgaan. (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juist tegen te houden.)
  15. met de paplepel ingeven (=al heel jong iets leren)
  16. de lijdensbeker tot de bodem ledigen (=al het slechte, tot het laatste toe, over zich heen krijgen)
  17. zich vergalopperen (=al te snel iets willen doen)
  18. alles over de vloer halen (=alles verplaatsen)
  19. komt men over de hond, dan komt men over de staart. (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf.)
  20. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  21. als er één schaap over de dam is, volgen er meer. (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel.)
  22. de spits afbijten (=als eerste beginnen met iets (moeilijks))
  23. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan. (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  24. niemand genoemd niemand geblameerd (=als er geen namen genoemd worden, wordt niemand gekwetst)
  25. een ongeluk komt zelden/nooit alleen. (=als er iets misgaat, gaat er vaak nog meer mis.)
  26. als je geschoren wordt, moet je stilzitten. (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan.)
  27. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden.)
  28. eens gezegd, blijft gezegd. (=als iemand iets belooft moet die dat ook uitvoeren)
  29. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost.)
  30. een rotte appel in de mand maakt het gave ooft/fruit te schand. (=als iemand uit een groep een fout maakt benadeelt hij de hele groep / door slechts één persoon kan iedereen van die groep een slechte naam krijgen)
  31. als een warm mes door de boter. (=als iets erg makkelijk of geleidelijk gaat.)
  32. Uitlekken (=als iets ongewenst publiekelijk bekend wordt )
  33. belofte maakt schuld. (=als je iets beloofd hebt moet je dat ook nakomen)
  34. ongevraagd, ongeweigerd. (=als je iets doet waarvoor geen toestemming is gevraagd kan het achteraf niet meer geweigerd worden omdat het al gebeurd is)
  35. wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. (=als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen))
  36. waar een wil is is een weg. (=als je iets echt wilt, dan zul je ook slagen /de weg vinden naar je doel)
  37. een man een man, een woord een woord. (=als je iets hebt beloofd, dan moet je je daar ook aan houden.)
  38. van uitstel komt afstel. (=als je iets niet meteen doet, loop je het risico dat het nooit meer gebeurt.)
  39. Waar geen aardappelen gepoot worden, zullen er ook geen groeien (=Als je niet een goed begin voor iets legt, zal er ook niets van worden)
  40. geen bericht is goed bericht. (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt.)
  41. een geplaveisde weg is des duivels oorkussen. (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  42. opgestaan is plaats vergaan (=als je rechtstaat kan iemand anders op je stoel gaan zitten)
  43. de liefde kan niet van één kant komen. (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  44. wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft. (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
  45. wat het huis verliest, brengt het weer terug. (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn.)
  46. oude paarden jaagt men aan de dijk (=als men zijn taak niet goed meer aankan, wordt men ontslagen)
  47. schelen zijn de mooisten niet, maar ze worden wel het meest aangekeken. (=als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen.)
  48. haar wil is wet (=als wat zij wil niet gebeurt, dan ontstaan er grote conflicten.)
  49. een bodemloos vat zijn (=altijd te weinig van iets zijn of opraken)
  50. ex officio (=ambtshalve)

Het dialectenwoordenboek kent 37 spreekwoorden met `ts`

  1. Waarschoots: tsiepmuile (=kind dat huilt)
  2. Roeselaars: tschaop is de preut of (=Ze is doodmoe)
  3. Aalsters: as kloine sproit zattek opt schoel (=klein gastje zat ik op 'tschool)
  4. Poperings: tschoap is de preute of (=hij is versleten)
  5. Kortemarks: ze schytn deur tselfste gat (=het zijn beste vrienden)
  6. Hams: 'tschaap is de preut af (=ik kan niet meer)
  7. Lokers: tschaup is de preut af (=Men is eindelijk begonnen)
  8. Kortemarks: tis famielje van tseevnste knopsgat (=het is verre familie)
  9. Zeeuws: tschol er of drid (=scheelde niet veel)
  10. Overmeers: 'n tsieke toebak (=een pruim tabak)
  11. Zeeuws: tsa ter nie net zitten (=niet goed zitten)
  12. Langemarks: tschilde an nieten of en a prys (=Hij had bijna prijs)
  13. kortemarks: tschoap is de preut of (=ik ben bekaf)
  14. Sint-Niklaas: familie zin van tseévuste knoopsgat (=verre familie zijn)
  15. Overmeers: nen bol tsette (=een bol breigaren)
  16. Lichtervelds: tis famielje van tseevnste knopsgat (=het is verre familie)
  17. Gents: tsiepuugskes / tschienderuugen (=Iemand met spleetogen)
  18. Londerzeels: tsaan de baan (=naast de weg)
  19. Brugs: in de stroent of in 'tschiet zitten (=in moelijkheden zitten)
  20. Moes: tschaup es de preut af (=voldongen feit)
  21. Lichtervelds: tschoap is de preute of (=alles is om zeep)
  22. Kortemarks: tschilt de wêireld nieë (=het scheelt maar weinig)
  23. Lichtervelds: tschilt gièène scharding (=het scheelt niet veel)
  24. Kortemarks: tschilt gièène scharding (=het scheelt maar weinig)
  25. kortemarks: tschilt gièèn mieretette (=het scheelt niet veel)
  26. Booms: Dien ei sondags naor tschool gewest (=Hij is niet van de slimsten)
  27. Kortemarks: tschilt gièèn oar van ne kletsekop (=het scheelt niet veel)
  28. Grobbendonks: Daor krijk tschijt van he (=Daar kan ik echt niet tegen!)
  29. Wetters: tschaup es de preute af (=er is niets meer aan te doen)
  30. Antwerps: kraig 'r tsgeit van (=ik heb er genoeg van)
  31. Lichtervelds: tis ne stielman van tseevenste knopsgat (=het is een slechte vakman)
  32. Waregems: 'n seenewoarietsje, 'n tseentewoareke (=kruisje op het voorhoofd voor het slapengaan)
  33. Zottegems: tsebiet ewa tuitn op ou muile (=straks mot ik op uw gezicht)
  34. Lichtervelds: tschilde gièèn oar van ne kletsekop (=het scheelde zeer weinig)
  35. kortemarks: tsien de stoetste weezels die tmeest eiers zuupn (=het leven is voor de durvers)
  36. aalters: jis muileblènt, jis neugske uit, tschaap is de preude af, tjoontje kannet niemeer aan, da bazeke zoe beters in zijn kaffe kruipen (=Hij is dronken)
  37. Gents: den diene zijne rugge is uuk nat als gij tschiept, zijn ien uuge zegt foert tegen tandere (=iemand die scheel kijkt)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen