Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


22 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `stee`

  1. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  2. daar moet de schoorsteen van roken (=dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan)
  3. Daar steekt meer in dan een enkele panharing (=Daar zit meer achter)
  4. De bijl naar de steel werpen (=Iets geheel opgeven)
  5. de gestage drup holt de steen (uit) (=door vol te houden wordt uiteindelijk wel het doel bereikt)
  6. een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (=men maakt geen twee keer dezelfde fout)
  7. Een hark zonder steel (=Iets waardeloos)
  8. een hart van steen hebben (=geen medelijden met anderen hebben)
  9. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  10. een zondagse steek houdt geen week (=de zondag is geen werkdag maar de dag des Heeren)
  11. een zondagssteek houdt geen week (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  12. helse steen (=in staafjes gegoten zilvernitraat)
  13. het huishouden van Jan steen (=een slordige boel)
  14. het is goed aan hem besteed (=hij verdient het, hij zal er op de goede manier mee omgaan)
  15. met een baksteen in de maag geboren worden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
  16. ogen op steeltjes hebben (=erg verbaasd zijn)
  17. steeds verder van huis raken (=verder van je doel afraken)
  18. van liefde rookt de schoorsteen niet (=van de liefde alleen kan je niet leven)
  19. weten hoe de vork in de steel zit (=precies weten wat er gebeurd is)
  20. zelfs de beste breister laat wel eens een steekje vallen (=ook al kan iemand iets heel goed, hij of zij zal ook wel eens een fout maken; dat is vergeeflijk)
  21. zinken als een baksteen (=direct zinken (niet kunnen zwemmen))
  22. zo zit de vork in de steel (=zo zit dat!)

46 betekenissen bevatten `stee`

  1. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  2. aan de lopende band (=aan één stuk door; steeds maar weer)
  3. Bakkerskinderen eten oud brood. (=Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  4. Al etende krijgt men trek / honger. (=Al etende krijgt men steeds meer trek (ook figuurlijk).)
  5. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  6. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  7. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren)
  8. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico's blijft nemen, gaat het een keer mis)
  9. klare wijn schenken (=eerlijk en duidelijk vertellen hoe de situatie in elkaar steekt)
  10. voor ogen houden/staan (=er steeds rekening mee blijven houden)
  11. voor ogen (=er steeds weer aan denken)
  12. ergens haring of kuit van willen hebben (=ergens precies van willen weten hoe het in elkaar steekt)
  13. geen grond houden (=geen steek houden - niet correct zijn)
  14. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  15. de rode draad (in een verhaal of betoog) (=het centrale thema, hetgeen waar steeds weer op wordt teruggegrepen)
  16. bergafwaarts (=het gaat steeds slechter, bijvoorbeeld met iemands gezondheid, of met een bedrijf)
  17. een zondagskind (=iemand die steeds geluk heeft)
  18. een man van de klok zijn (=iemand die steeds precies op tijd is)
  19. een pechvogel (=iemand die steeds tegenslag heeft)
  20. het onweer is niet van de lucht (=iets dat steeds blijft doorgaan of iemand die telkens weer kwaad tekeer gaat)
  21. hand over hand toenemen (=iets wordt steeds erger)
  22. iemand op sleeptouw nemen (=omdat iemand het alleen niet lukt diegene helpen, iemand steeds maar dingen beloven zonder die na te komen, iemand gebruiken voor eigen belang zonder dat die het doorheeft)
  23. geen zitvlees hebben (=ongedurig zijn - steeds weer opstaan en rondlopen)
  24. om de haverklap (=op alle mogelijke momenten, steeds weer opnieuw)
  25. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  26. psalmen zingen (=schuren met baksteen en zand)
  27. veld winnen (=steeds belangrijker worden)
  28. iemand de oren afzagen (=steeds blijven aandringen)
  29. de mantel naar de wind hangen (=steeds de opinie van de anderen volgen)
  30. het op iemand gemunt hebben (=steeds dezelfde persoon die ergens last van heeft)
  31. van kwaad tot erger komen/vervallen (=steeds erger worden)
  32. iemand op de vingers kijken (=steeds kijken wat iemand doet, en of die het goed doet)
  33. iemand van bakboord naar stuurboord zenden (=steeds niet geholpen worden maar wel doorverwezen worden naar anderen)
  34. de drempel platlopen (=steeds opnieuw bezoeken)
  35. te pas en te onpas (=steeds opnieuw, of het nu zin heeft of niet)
  36. Een ridder van het lui paard zijn (=steeds smoesjes verzinnen en de schuld buiten jezelf leggen)
  37. van de os op de ezel springen (=steeds van onderwerp veranderen)
  38. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)
  39. de deur platlopen (=steeds weer bezoeken)
  40. altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  41. altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfde herhalen)
  42. altijd op hetzelfde aambeeld hameren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp terugkomen)
  43. van de hak op de tak springen (=steeds weer van onderwerp wisselen en geen duidelijke rode draad in een verhaal hebben)
  44. De haan en de vos hebben elkaar te gast (=Twee bedriegers zijn steeds op hun eigen voordeel uit)
  45. vrienden in nood, honderd in een lood (=wanneer er zich problemen voordoen, laten vrienden je vaak in de steek)
  46. als het melk regent, staan mijn schotels omgekeerd (=wanneer ergens iets voordeligs te verkrijgen valt, loop ik het steevast mis)

Het dialectenwoordenboek kent 134 spreekwoorden met `stee`

  1. Brakels: wilt iene moale steeken (=steek het in uw zakken)
  2. Genneps: Da's zè.jk óp enne rie.k (=Dat is niet steekhoudend, slaat nergens op)
  3. Gents: steekt nie op een andjuunpalle (=het steekt niet nauw)
  4. Westerkwartiers: ok 't beste peerd strukelt wel es (=ook de besten laten wel eens een steekje vallen)
  5. Westerkwartiers: ik wil wiet'n hoe de vörk ien 'e steel zit (=ik wil weten hoe het in elkaar steekt)
  6. Hansbeeks: Wa steekte gij uit ? (=Wat doe jij nu ?)
  7. Westerkwartiers: ze steel'n doar as roav'n (=ze jatten daar veel)
  8. Zeels: 't ang mijn voet'n uit (='t steekt mij tegen)
  9. Westerkwartiers: 't is of de steen'n sprook'n hemm'n (=het is toch uitgelekt)
  10. Bilzers: hae slip bauter steed (=doodmoe)
  11. IJmuidens: Ben je van de commode gevallen (=Er zit een steekje bij je los)
  12. Lokers: steekezot, staupelzot, op zijne kop gevaulen en trig gebotst (=Gek (adjectief))
  13. Fries: Myn pleats dat is in stee wêr't in brede reed hinne rint (=Mijn plaats dat is een stee waar een brede reed heen rent)
  14. Westerkwartiers: de hand'n uut de mouw'n steek'n (=flink aanpakken)
  15. Menens: tes ol gin oar snien (=het steekt tegen)
  16. Westerkwartiers: zien wille hoar'n benn'n d'r nog niet uut (=hij is nog steed onbezonnen)
  17. Munsterbilzen - Minsters: twatter steed em tot on zene mond (=dat wordt hoogdringend)
  18. Westerkwartiers: dat mins is 'n steekje an lös (=dat mens is niet helemaal goed)
  19. Deinzes: steekter moar 'n beetje poer achter. (=Doe maar flink door.)
  20. Zeeuws: ie wil nie steekn of snien{snijden} (=hij ligt dwars)
  21. Gents: oas 't moar iets es (=het steekt zo nauw niet)
  22. Bilzers: Vendaog steedtem zene kop verkeird (=Hij is in een slechte bui vandaag)
  23. Veurns: 't op èn ander'n steek'n (=iemand anders de schuld geven)
  24. Lichtervelds: oaj moetn ne viengre in ze gat steekn, je wos of (=hij was erg bang)
  25. Brakels: 't sal mij nen éwen n'ond verlié'n (=het steekt mij erg tegen)
  26. Zeels: steeg van afgoan (=gierig)
  27. Westerkwartiers: die woon'n doar ien 'n paradies (=die wonen daar op een prachtig stee)
  28. Deventers: De gek an steek'n (=In de maling nemen)
  29. Veurns: etwieën een strooi in ze gat steek'n (=iemand vliene)
  30. Harelbeeks: kyk nat t'andre (=wat steekt hij nu weer uit)
  31. Munsterbilzen - Minsters: da steed assen tang op e vèrke (=dat is een lelijke combinatie)
  32. Bilzers: t wotter steed em tot on zen kin (=hoog tijd)
  33. Lichtervelds: etwie in tgat steekn (=iemand verplichten om iets te doen)
  34. kortemarks: jis bizig mè lirtje te steekn (=hij is iemand aan het opjutten)
  35. Vlijtingens: ich haat mene poot steef (=ik ga niet van mijn standpunt af)
  36. Bilzers: èn perdêl lotte (=in de steek laten)
  37. kortemarks: in plan loatn (=in de steek laten)
  38. Liwwadders: de skellen binne my fan 'e ogen fallen (=nou begrijp ik hoe dat (zaakje) in elkaar steekt)
  39. Herentals: geft 'em buize (=steek een tandje bij)
  40. Hasselts: én perdél loaten (=in de steek laten)
  41. West-Vlaams: in plan loat'n (=in de steek laten.)
  42. Brugs: un stroowtjie in z'n gat steejken - ook : boffen me utwien (=iemand een complimentje geven)
  43. Westerkwartiers: doar zel ik 'n stokje veur steek'n (=dat zal ik beletten)
  44. Westerkwartiers: de weerde van 't huus is steeg'n (=de waarde van het huis is gestegen)
  45. Waregems: ie kent er de knopp'n van (=hij weet niet hoe het in mekaar steekt)
  46. Westerkwartiers: bij hem komt alles op 'e weegschoal (=het steekt bij hem heel nauw)
  47. West-Vlaams: 't kom nie ip e tette van ne mierebuk (=het steekt niet zo nauw)
  48. Westerkwartiers: dat komt niet zo krekt heur (=dat steekt niet zo nauw hoor)
  49. Munsterbilzen - Minsters: èn Eek steed e pëtsje mèt zeek bau de kèster zen koskes èn week (=lijflied van de Ekerboeren)
  50. Deventers: Dee skup in de steegjes de deur'n lös. (=Hij heeft platvoeten.)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen