Spreekwoorden met `stee`

Zoek

29 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `stee`

  1. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  2. daar moet de schoorsteen van roken (=dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan)
  3. daar steekt meer in dan een enkele panharing (=daar zit meer achter)
  4. de bijl naar de steel werpen (=iets geheel opgeven)
  5. de gestage drup holt de steen (uit) (=door vol te houden wordt uiteindelijk wel het doel bereikt)
  6. de steen des aanstoots (=iets dat anderen hindert, in conflict brengt of verdeeldheid zaait)
  7. een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (=men maakt geen twee keer dezelfde fout)
  8. een hark zonder steel (=iets waardeloos)
  9. een hart van steen hebben (=geen medelijden met anderen hebben)
  10. een rollende steen vergaart geen mos. (=voortdurende verandering werpen vaak geen vruchten af)
  11. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  12. een steek laten vallen (=een fout maken.)
  13. een zondagse steek houdt geen week (=de zondag is geen werkdag maar de dag des Heeren)
  14. een zondagssteek houdt geen week (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  15. helse steen (=in staafjes gegoten zilvernitraat)
  16. het huishouden van Jan steen (=een slordige boel)
  17. het is goed aan hem besteed (=hij verdient het, hij zal er op de goede manier mee omgaan)
  18. met een baksteen in de maag geboren worden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
  19. ogen op steeltjes hebben (=erg verbaasd zijn)
  20. steeds verder van huis raken (=verder van je doel afraken)
  21. steen en been klagen (=constant en hevig klagen. (klagen bij alles wat heilig is, bv. botten (=been) in een graf (=steen)))
  22. steen en been vriezen. (=heel hard vriezen (alles wordt zo hard als steen en botten))
  23. stok en steen verwend (=heel erg verwend)
  24. van liefde rookt de schoorsteen niet (=van de liefde alleen kan je niet leven)
  25. weten hoe de vork in de steel zit (=precies weten wat er gebeurd is)
  26. zelfs de beste breister laat wel eens een steekje vallen (=ook al kan iemand iets heel goed, hij of zij zal ook wel eens een fout maken; dat is vergeeflijk)
  27. zinken als een baksteen (=direct zinken (niet kunnen zwemmen))
  28. zo zit de vork in de steel (=zo zit de zaak in elkaar.)
  29. zoals de vos steelt, steelt ook het vosje. (=valse ouders hebben valse kinderen.)

48 betekenissen bevatten `stee`

  1. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden /  beloven, maar steeds weer uitstellen)
  2. aan de lopende band (=aan één stuk door; steeds maar weer)
  3. bakkerskinderen eten oud brood. (=aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  4. al etende krijgt men trek / honger. (=al etende krijgt men steeds meer trek (ook figuurlijk).)
  5. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  6. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  7. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico`s blijft nemen, gaat het een keer mis)
  8. steen en been klagen (=constant en hevig klagen. (klagen bij alles wat heilig is, bv. botten (=been) in een graf (=steen)))
  9. klare wijn schenken (=eerlijk en duidelijk vertellen hoe de situatie in elkaar steekt)
  10. voor ogen houden/staan (=er steeds rekening mee blijven houden)
  11. voor ogen (=er steeds weer aan denken)
  12. geen grond houden (=geen steek houden - niet correct zijn)
  13. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  14. steen en been vriezen. (=heel hard vriezen (alles wordt zo hard als steen en botten))
  15. de rode draad (in een verhaal of betoog) (=het centrale thema, hetgeen waar steeds weer op wordt teruggegrepen)
  16. bergafwaarts gaan (=het gaat steeds slechter, bijvoorbeeld met iemands gezondheid)
  17. een zondagskind (=iemand die steeds geluk heeft)
  18. een man van de klok zijn (=iemand die steeds precies op tijd is)
  19. een pechvogel (=iemand die steeds tegenslag heeft)
  20. het onweer is niet van de lucht (=iets dat steeds blijft doorgaan of iemand die telkens weer kwaad tekeer gaat)
  21. hand over hand toenemen (=iets wordt steeds erger)
  22. voor dood achterlaten (=in de steek laten zonder hoop op herstel.)
  23. de wereld wil bedrogen zijn. (=mensen trappen steeds weer in hetzelfde praatje)
  24. iemand op sleeptouw nemen (=omdat iemand het alleen niet lukt diegene helpen, iemand steeds maar dingen beloven zonder die na te komen, iemand gebruiken voor eigen belang zonder dat die het doorheeft)
  25. geen zitvlees hebben (=ongedurig zijn - steeds weer opstaan en rondlopen)
  26. om de haverklap (=op alle mogelijke momenten, steeds weer opnieuw)
  27. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  28. er haring of kuit van willen hebben (=precies willen weten hoe het in elkaar steekt)
  29. psalmen zingen (=schuren met baksteen en zand)
  30. veld winnen (=steeds belangrijker worden)
  31. iemand de oren afzagen (=steeds blijven aandringen)
  32. de mantel naar de wind hangen (=steeds de opinie van de anderen volgen)
  33. het op iemand gemunt hebben (=steeds dezelfde persoon die ergens last van heeft)
  34. van kwaad tot erger komen/vervallen (=steeds erger worden)
  35. iemand op de vingers kijken (=steeds kijken wat iemand doet, en of die het goed doet)
  36. de drempel platlopen (=steeds opnieuw bezoeken)
  37. te pas en te onpas (=steeds opnieuw, of het nu zin heeft of niet)
  38. een ridder van het lui paard zijn (=steeds smoesjes verzinnen en de schuld buiten jezelf leggen)
  39. van de os op de ezel springen (=steeds van onderwerp veranderen)
  40. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)
  41. de deur platlopen (=steeds weer bezoeken)
  42. altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  43. altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfde herhalen)
  44. op hetzelfde aambeeld hameren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp terugkomen)
  45. van de hak op de tak springen (=steeds weer van onderwerp wisselen en geen duidelijke rode draad in een verhaal hebben)
  46. de haan en de vos hebben elkaar te gast (=twee bedriegers zijn steeds op hun eigen voordeel uit)
  47. vrienden in nood, honderd in een lood (=wanneer er zich problemen voordoen, laten vrienden je vaak in de steek)
  48. als het melk regent, staan mijn schotels omgekeerd (=wanneer ergens iets voordeligs te verkrijgen valt, loop ik het steevast mis)

5 dialectgezegden bevatten `stee`

  1. die woon'n doar ien 'n paradies (=die wonen daar op een prachtig stee) (Westerkwartiers)
  2. hie gae naer stee (=hij gaat naar huis) (Flakkees)
  3. hij hep een stee (=hij is heeft een baan op het schip) (Katwijks)
  4. Myn pleats dat is in stee wêr't in brede ree hinne rint (=Mijn plaats dat is een stee waar een brede ree heen rent) (Fries)
  5. stee in m’n rug (=rugpijn) (Putters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen