Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `schep`

  1. de jongste schepen wijst het vonnis (=de kinderen willen het het best weten)
  2. de peentjes opscheppen (=de boel opruimen)
  3. de schepen achter zich verbranden (=een beslissing nemen en niet meer terug kunnen)
  4. een luchtje scheppen (=even buiten gaan wandelen)
  5. er een schepje opdoen (=er nog wat aan toevoegen)
  6. iemand afschepen (=met een voorwendsel wegzenden)
  7. voor het opscheppen hebben (=meer dan genoeg hebben, zonder er iets voor te moeten doen)
  8. zijn schepen achter zich verbranden (=obstinaat doorgaan, zodanig dat men niet meer terug kan)

9 betekenissen bevatten `schep`

  1. eigen roem/lof stinkt (=door over jezelf op te scheppen maak je een nare indruk)
  2. ergens prat op gaan (=erg trots over iets zijn en er over opscheppen)
  3. hoog van de toren blazen (=het grote woord willen hebben / opscheppen)
  4. zijn land ligt in zijn schoenen (=hij is een grote opschepper)
  5. het oog is groter dan de maag (=meer op het bord scheppen dan er opgegeten kan worden)
  6. de draad van Ariadne (=middel om klaarheid te scheppen in een ingewikkeld iets)
  7. een toontje lager zingen (=minder opscheppen, minder grote mond hebben)
  8. dik doen (=opscheppen)
  9. met spek schieten (=overdrijven of opscheppen)

Het dialectenwoordenboek kent 15 spreekwoorden met `schep`

  1. Munsterbilzen - Minsters: effekes thikske um (=eventjes een luchtje scheppen)
  2. Gents: veur em schept God den dag en moed'r schept de soepe (=iemand die simpel is van geest)
  3. Bilzers: atze dereege mér nie besjit (=wat een verwaand schepsel)
  4. Munsterbilzen - Minsters: tworre mich ammel sjarels (=de archivaris gooide het op een hoopje met de schepene)
  5. Munsterbilzen - Minsters: goej nog get oele oppet vier (=doe nog een schepje bij zodat het helemaal uit de hand loopt)
  6. Munsterbilzen - Minsters: n frisse noës gon haole (=een luchtje scheppen)
  7. Lichtervelds: j ee moa t geld te scheppn (=hij is zeer rijk)
  8. kortemarks: jee moa tgeld te scheppn (=hij is zeer rijk)
  9. Drents: Een regenboog in de mörgen/ döt de scheper zörgen/ want slim gèern zöt zien oge/ een aovendregenboge. (=weerspreuk)
  10. Hendrik-Ido-Ambachts: die is treinuh gaan vangen met 'n schepnetjie (=hij is voor de trein gesprongen)
  11. Bilzers: ich gon effe opte loch (=ik ga even een luchtje scheppen)
  12. Eindhovens: hedde gij un schup om meej te spaaie in de mast (=heb jij een schep om te graven in het bos)
  13. Teralfene: zoe modern as schepper zen konoén (=zo oud als de straat)
  14. Twents: kheb vaker zukke haans heur'n krééjn, m'r sanderdaags veuln ze dood van'n stok. (=Mensen scheppen vaak op, maar maken het zelden waar.)
  15. Holsbeeks: ik zal vee a es e woetteke pakke en in ne boeëm joge (=ik zal voor u eens een klein geitje (bokje) vangen en in een boom jagen. Een uitdrukking (bedankinkje) om iemand (vooral kinderen) af te schepen nadat ze een werkje hebben opgeknapt)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen