Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

21 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `roen`

  1. aan de groene tafel zitten (=bestuurslid zijn)
  2. appelen/knollen voor citroenen verkopen (=oplichten, bedriegen)
  3. bij de buren is het gras altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  4. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  5. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  6. een oude bok lust nog wel een jong/groen blaadje (=een oude man is nog wel seksueel geïnteresseerd in een jong meisje)
  7. ergens gezien zijn als een rotte kool bij een groenvrouw (=er niet graag gezien zijn)
  8. gezien worden als een rotte appel/kool bij een fruitvrouw/groenvrouw (=er niet erg welkom zijn)
  9. groen en geel voor de ogen worden (=duizelen en/of erg van schrikken)
  10. groen zien van jaloezie (=heel jaloers zijn)
  11. het gras is altijd groener bij de buren (=er is altijd iets te vinden om jaloers op te zijn)
  12. het zijn twee hoofden onder een kaproen (=ze verstaan elkaar volkomen , ze werken samen)
  13. iemand knollen voor citroenen verkopen (=iemand wat wijsmaken, met praatjes foppen)
  14. jan boezeroen (=de arbeiders)
  15. jan pet en piet boezeroen (=de arbeiders)
  16. je groen en geel ergeren (=je heel erg ergeren aan iets of iemand)
  17. onder de (groene) zoden stoppen (=iemand begraven)
  18. onder de groene zoden liggen (=begraven zijn)
  19. twee hoofden onder een kaproen (=ze werken samen, ze denken er hetzelfde over)
  20. Twee zotten onder één kaproen (=Een gek is zelden alleen)
  21. zijn koren/korentje groen eten (=zich geen zorgen maken om de toekomst, niet sparen. )

2 betekenissen bevatten `roen`

  1. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  2. semper virens (=altijd groen)

Het dialectenwoordenboek kent 14 spreekwoorden met `roen`

  1. Zeeuws: jestienkt zeven roen de wind in (=stinken)
  2. Zeeuws: deur mekaarn roenkelen (=door elkaar roeren)
  3. Lichtervelds: je droajt roend de pot (=hij draait er omheen)
  4. Kortemarks: je droajt roend de pot (=hij komt niet terzake)
  5. Lichtervelds: jis zoî roend of een ei (=hij is erg dwaas)
  6. kortemarks: jis zoî roend of een ei (=het is een dommerik)
  7. Munsterbilzen - Minsters: roenke (=ronkend slapen als een kat)
  8. Kortemarks: zn oîgn droajn roent ol van ze gat (=hij kijkt scheel)
  9. Munsterbilzen - Minsters: hae geet noë Koot Kernisj, roendhauze en Costa Démeris (=hij is een huismis)
  10. Ostêns: jiszó roend of e biljoartbolle (=het is geen slimme)
  11. Munsterbilzen - Minsters: op vekantse on de koot kërnisj, dat lik onder depannenoë roendhauze (=thuis blijven van vakantie)
  12. Munsterbilzen - Minsters: ich gon noë koot kernisj, roendhauze en costa démeris (=ik ga nooit op vakantie)
  13. kortemarks: je lopt roend lik e kieken die moe leggn (=hij loopt nerveus rond)
  14. kortemarks: je droajt roend lik ne stroent in ne zikpot (=hij weet niet precies wat hij wil)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen