Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

17 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kaart`

  1. alles op één kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  2. De gekken krijgen de beste kaarten (=Het geluk is met de dommen)
  3. de gekken krijgen de kaart (=dwaze en onverstandige mensen krijgen hun gelijk of ze dat hebben of niet)
  4. de kaart leggen (=de toekomst voorspellen)
  5. de kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
  6. doorgestoken kaart (=er is heel duidelijk iets mis! Hier is getracht om iemand te laten geloven dat er bij toeval iets gebeurt, terwijl het in feite van tevoren gearrangeerd is)
  7. een kwestie aankaarten (=een onderwerp ter discussie brengen)
  8. een zaak aankaarten (=een onderwerp in de aandacht brengen)
  9. Het is maar hoe de kaarten vallen (=Het hangt van het lot af)
  10. iemand in de kaart spelen (=iemand onbewust helpen)
  11. instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
  12. je kaarten op tafel leggen (=laten weten over welke middelen je beschikt om iets gedaan te krijgen)
  13. nakaarten heeft geen zin (=men moet niet doorgaan met zeuren over iets dat al geweest is)
  14. op de kaart zetten (=gemaakt tot iets waar rekening mee gehouden wordt. )
  15. open kaart spelen (=eerlijk zijn, niets verbergen)
  16. van de kaart zijn (=uitgeschakeld zijn - totaal versuft zijn)
  17. zich in de kaart laten kijken (=meestal onopzettelijk een ander inzicht geven in je bedoelingen)

4 betekenissen bevatten `kaart`

  1. Het varken is door de buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: Alles is doorgestoken kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  2. iemand beest maken (=kaartspel : zorgen dat iemand geen enkele slag haalt)
  3. job krijgt op zijn kop (=kaartspel: als klaveren heer wordt afgetroefd)
  4. iets boven de tafel fietsen (=open kaart spelen met bedoelingen)

Het dialectenwoordenboek kent 35 spreekwoorden met `kaart`

  1. Waregems: 'n p'rtietje koart'n (=een kaartje leggen (kaartspel))
  2. Turnhouts: 'k hoai koai kaarte (=ik had slechte kaarten)
  3. Deinzes: 'n en plankierkoarter (=een slechte kaartspeler)
  4. Brakels: klavers: kappers zijn geen groavers (=kaartterm: klaveren is troef)
  5. Overmeers: nen boek koarten (=een kaartspel)
  6. Walshoutems: fraus dong (=Bedriegen v.b met kaartspelen)
  7. Sint-Niklaas: gè misgeven (=gij hebt verkeerd gegeven (kaartspel))
  8. Sint-Niklaas: gè moet uitkommen (=gij moet beginnen spelen (kaartspel))
  9. Waregems: oëger of mijn bijlke of 'k kappe in oi gat! (=hoger leggen (in kaartspel))
  10. Waregems: an wie lig het (kaartspel) (=wie heeft er tot nu de hoogste kaart gelegd)
  11. Sint-Niklaas: uit zin (=het spel winnen (kaartspel))
  12. Sint-Niklaas: misdelen (=verkeerd delen bij het kaartspel)
  13. Waregems: trouwf moak'n (=troef maken (kaartspel))
  14. Sint-Niklaas: 'k gô mè ertus (koekus, kloavurs, schippus) uitgoan (uitkommen) (=ik ga met harten(......) beginnen spelen (kaartspel))
  15. Deinzes: de geete (geit) hèn (=in het kaartspel van elke kleur evenveel hebben)
  16. Westerkwartiers: zij was uut 't veld sloag'n (=zij was van de kaart)
  17. Sint-Niklaas: gè meugd uitspelen (uitgoan, uitkommen) (=jij mag beginnen( kaartspel))
  18. herenthouts: de koarten husselen (=de kaarten ondereen steken)
  19. Waanroods: gi prinke in men (zen) han hemmen (=slechte kaarten hebben)
  20. Hoogstraats: mej de kaorten speulen (=met de kaarten spelen)
  21. Bilzers: de kaot staeke (=de kaarten schudden)
  22. Limburgs: kriet in ut laok (=gelijk spel bij kaarten)
  23. Achels: wan prenteboek/voele (=ik heb slechte kaarten)
  24. Roosendaals: nat gaon (=verliezen met kaarten)
  25. tilburgs: wen tadderakken (=Ik heb slechte kaarten in de hand)
  26. Ninoofs: ze koêrtn in Parausj nie beter (=je bent slecht aan het kaarten)
  27. Diems: kats van de kaart (=zat zijn)
  28. Achels: wan pèèèrde/wan stup/houwe op die toffel (=ik heb goede kaarten)
  29. Westerkwartiers: zij was uut ';t veld sloag'n (=zij was van de kaart)
  30. Hulsbergs: d'r haet zich al ins eine doead gesjöd (=tegen iemand die de kaarten te traag schudt:)
  31. Zomergems: NEN PLANKIERKOARTRE (=IEMAND DIE NIET ZO GOED kaart KAN SPELEN)
  32. Westerkwartiers: ze hemm'n 'em om zeep holp'n (=ze hebben hem van de kaart geveegd)
  33. Rillaars: oep de veujhand zitte (=als eerste mogen beginnen bij het (kaart)spel)
  34. Steins: Dao haet zich al 'ns eine doead gesjöd !! (=wordt gezegd tegen iemand die de kaarten te lang schud.)
  35. Venloos: Baeter eine lange nek as gooj kaart (=Inzet is belangrijker dan geluk of talent)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen