Spreekwoorden met `op te`

Zoek

4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `op te`

  1. geen been hebben om op te staan (=geen enkele verantwoording kunnen geven)
  2. je bent om op te eten (met boter en suiker). (=beeldig, snoezig, hartveroverend, snoeperig.)
  3. met de kop tegen de muur lopen (=nutteloos geweld gebruiken)
  4. vis begint aan de kop te stinken (=als een bedrijf een slecht management heeft)

12 betekenissen bevatten `op te`

  1. het hart in de schoenen zinken (=alle moed en hoop verliezen om problemen op te lossen)
  2. na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
  3. eigen roem/lof stinkt (=door over jezelf op te scheppen maak je een nare indruk)
  4. een varken heeft wel een krul in zijn staart. (=er is altijd iets om trots op te zijn)
  5. het gras is altijd groener bij de buren (=er is altijd iets te vinden om jaloers op te zijn)
  6. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  7. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  8. iets staat op losse schroeven (=het is onzeker, er valt niet op te bouwen)
  9. wie nood heeft moet pompen. (=je moet zelf initiatief nemen om je problemen op te lossen)
  10. je schrap zetten (=klaarmaken om de klap op te vangen)
  11. pappen en nathouden (=situatie min of meer ongewijzigd te laten zonder een beslissing te nemen of daadwerkelijk een probleem op te lossen)
  12. het is een wijze man, die maat ramen kan. (=wijsheid komt van het vermogen om situaties te begrijpen en hoe daar op te reageren)

50 dialectgezegden bevatten `op te`

  1. 't bedde aftrekken (=lakens van het bed halen (om het bed op te maken)) (Meers)
  2. 't is om ou bloët gat te loaten zien (=het is om de muren ervan op te lopen) (Melseels)
  3. ’t Is amal da niet, ’t es da kind zonder huefd da langs zijn poepken pap moe eedn. (=Dat is niet erg, er zijn veel moeilijker op te lossen problemen.) (Evergems)
  4. ' k zou d' r m' n bôôntjes niet op te weke leggen (=ik zou er niet al te zeker van zijn) (Zeeuws)
  5. A eed een bakkes veur aat op te kappen (=Hij is lelijk) (Ninoofs)
  6. a moe krochen om 't binnen te krijgen (=hij moet zijn best doem om alles op te eten) (Meers)
  7. ae ken twieë stieën'n doen vechten (=hij is er goed in mensen tegen elkaar op te zetten) (Wichels)
  8. ae oo gieëne puuët mieër om op te stoan (=hij kon het niet winnen) (Wichels)
  9. alleej, vurèùt meej de gèèt. (=aansporing om op te schieten.) (Tilburgs)
  10. An olde huzen en olde wieven va.t vaeke wat an op te knappen (=Aan beide komt mankeer) (Giethoorns)
  11. An olde meensen en olde uuzen valt altied wat an op te lappen (=Eens komt er mankeer) (Giethoorns)
  12. an olde uzen en an olde wieven valt altied wat an op te knappen (=Er komt aan beiden gebrek) (Giethoorns)
  13. An olde uzen en an olde wieven valt altied wat an op te lappen (=Er komt aan beiden mankeer) (Giethoorns)
  14. An olde uzen en olde wieven valt altied wat an op te knappen (=Er komt aan beide mankeer) (Giethoorns)
  15. bakkes kotje (=cel om boeven op te sluiten) (Zeeuws)
  16. da kund'op oan buik schrèven / schrèeft da moar op oan buik (=daar hoef je niet meer op te rekenen) (Wichels)
  17. Da luzzik nie (=Dat vind ik te vies om op te eten) (Valkenswaards)
  18. daaj ès vër op te aete (=dat is lekker vrouwtje) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. daaj zit mèt ne vrêmden haon op te mèstëf (=dien heeft een vreemde man bij zich genomen) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. dae haet ane waaj geluchtj (=hij kwam erachter dat het hard werken was (de waaj zit aan het einde van een vissenfuik en het is zwaar werk om die op te halen = luchte); zich in de vingers snijden (fig.) kruidenierswaren uit de koloniën) (Heitsers)
  21. dae hèt zën toeng op te grond hange (=hij is volledig buiten adem) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. dae is nog te voêl um zien kloeëte op te höffe (=dat is een luierik) (Weerts)
  23. dae kan nogal ins van zën viët maoke (=hij zit op te spelen) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. dae kan raajmen en dichte zonder zen aaterste op te lichte (=dat is een flutjesdichter (rijmelaar) ) (Bilzers)
  25. Dan neem ie maar een koppel kiepen (=Je moet niet proberen om mij op te jagen) (Giethoorns)
  26. dane pei ei ne smoel veu stront oep te sorteire, of een bakkes voe offerblokke op te kleeve (=die man heeft een lelijk gezicht) (Brussels)
  27. Daor gaode van kwiele (=Om jaloers op te worden) (Oudenbosch)
  28. daor oefde oew koont toch mar eve vor op te lichte (=dat is toch geen moeite) (Oudenbosch)
  29. das eu floikke va ne sens (=dat is gemakkelijk op te lossen) (Overijses)
  30. das haaj zjus ne vêrkësstal (=begin hier eens wat op te ruimen) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. das nie vër iëvër noë haus te sjrijve (=dat is niets om fier op te zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. das ten haomël op te kop (=dat is heel juist) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. dat is get, dao zaeste geer taenge (=iets om trots op te zijn) (Steins)
  34. De hoehgs nie vrig op te stoeën, de moes outgeslóppe zijn. (=Je hoeft niet vroeg op te staan, je moet uitgeslapen zijn.) (Genker)
  35. de hond ien 'e pot viend'n (=bij thuiskomst blijkt het eten op te zijn) (Westerkwartiers)
  36. de kieës op te vloj (=de kers op de taart) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. de maus op te stang zitte (=kom hier maar bij me op de fiets) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. det helleptj tieëge de muus zag de boor en hae stoeëk zien scheur in brând (=overdrijven om een klein probleem op te lossen) (Weerts)
  39. di mo i je boeantjes menie op te wie-e-ken lenn (=daar moet je niet te vast op rekenen) (Zeeuws)
  40. die de noam het vroeg op te stoan, ken wel uutsloap'm (=wie de naam heeft braaf te zijn kan een potje breken) (Westerkwartiers)
  41. doar durf ik mien haand niet veur ien 't vuur te steek'n (=daar durf ik geen eed op te zweren) (Westerkwartiers)
  42. doë hoeste zen K. nog nie vër op te lichte (=dat is een kleine moeite) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. doë maok ich mich nie mieg aoën (=dat is niet waard om op te reageren) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. doeë moestë gene kal aoën vies maokë (=dat is de moeite niet om u over op te jagen) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. ei jeit ne smool voe offerblokken op te kleeve (=lelijkaard) (Brussels)
  46. ërgës op te kaffein koeëmë (=ergens slecht ontvangen worden) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. ët geld lik op stroeët, de hoes ët alleen nog mèr op te raopë (=je hoeft niet veel te zoeken, je kan gemakkelijk geld verdienen) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. Ge 'oef nie de leste man de zak op te geven! (=Je hoeft niet per se de laatste te zijn!) (Roosendaals)
  49. getj een bakkes om stront op te sorteiren (=een lelijk aangezicht hebben) (Aalsters)
  50. Had het op je voorhoofd geschreuve had je ut niet kenne vergeten / Schrijf ut op je voorhoof da keje het nie vergete / (=Dan had je het op moeten schrijven, kon je het niet vergeten / schrijf het goed op, zo vergeet je het niet ! ( tis goed zo heb het vaak genoeg gezegd op te schrijven)) (Utrechts)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen