Spreekwoorden met `oon`

Zoek

41 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oon`

  1. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  2. als warme broodjes over de toonbank gaan (=zeer goed verkopen)
  3. boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
  4. boontjes uit water eten. (=een eenvoudige maaltijd.)
  5. de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  6. de boventoon voeren (=het hoogste woord hebben)
  7. de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  8. de kans schoon zien (=van de gelegenheid gebruik maken)
  9. de kroon op het werk zetten (=het werk prachtig voltooien)
  10. de kroon spannen (=het hoogtepunt vormen)
  11. de toon aangeven (=bepalen welke richting het op gaat)
  12. de verloren zoon is terecht (=wat (of wie) al lang verloren was, is teruggevonden)
  13. doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. (=blijf vooral normaal doen)
  14. een andere toon aanslaan (=op een andere manier tegen iemand gaan praten)
  15. een blauwe boon (=een kogel)
  16. een heilig boontje zijn (=erg braaf doen, maar niet altijd braaf zijn)
  17. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  18. een krul meer in zijn staart hebben dan een gewoon mens (=zich een beetje aanstellen)
  19. een toontje lager zingen (=minder opscheppen, minder grote mond hebben)
  20. een zoon van zijn vader zijn (=het karakter van zijn vader hebben)
  21. het einde kroont het werk (=het werk is pas goed gedaan als het klaar is)
  22. het is de toon die de muziek maakt (=het gaat om de manier waarop iets gezegd wordt)
  23. het kwaad loont zijn meester (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  24. ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zich afvragen of hij zelf schuldig is)
  25. iemand de kroon van het hoofd nemen (=iemand te schande maken)
  26. iemand een kroon opzetten (=iemand eer bewijzen)
  27. iemand naar de kroon steken (=z`n best doen anderen te overtreffen)
  28. je boontjes op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen)
  29. je verdiende loon krijgen (=krijgen wat hem toekomt (meestal iets slecht))
  30. lang genoeg in de kreupelstraat gewoond hebben (=lang genoeg in de problemen gezeten hebben)
  31. loon naar werken krijgen (=loon krijgen dat in overeenstemming is met het gedane werk)
  32. niet brandschoon zijn (=dingen misdaan hebben)
  33. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  34. ondank is `s werelds loon (=men wordt zelden bedankt voor een goede daad)
  35. schoon genoeg hebben van (=meer dan genoeg hebben van, een hekel hebben aan)
  36. schoon schip maken (=schulden betalen, de boel opruimen, na ruzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten rusten)
  37. uit de toon vallen (=anders zijn dan de anderen)
  38. van de troon stoten (=de macht ontnemen)
  39. wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gooien (=wie schuldig is, moet zich niet laten opmerken)
  40. zo vader, zo zoon (of: Zo moeder, zo dochter) (=kinderen erven de eigenschappen van hun ouders)
  41. zonder aanzien des persoons (=zonder iemand voor te trekken; zonder er rekening mee te houden om wie het gaat)

97 betekenissen bevatten `oon`

  1. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  2. er is niets nieuws onder de zon (=alles is al eerder vertoond)
  3. het ene woord haalt het andere uit (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug)
  4. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  5. als er één schaap over de dam is, volgen er meer (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  6. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  7. de appel wegdragen/winnen (=als schoonste erkend worden)
  8. door merg en been gaan/dringen/snijden (=buitengewoon kwetsend of doordringend zijn)
  9. zo lustig zijn als een vogeltje dat koe heet (=buitengewoon loom zijn)
  10. als een olifant in de porseleinkast (=buitengewoon onvoorzichtig of tactloos)
  11. dat is een stuk! (=dat is een aantrekkelijk persoon)
  12. uit het oog, uit het hart (=de aandacht voor iemand verliezen, als die persoon niet meer in de nabijheid is)
  13. het beste paard van stal (=de belangrijkste persoon in het gezelschap)
  14. mastiek maken (=de dagelijkse schoonmaak verrichten)
  15. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord)
  16. het slechtste wiel van de wagen kraakt meest. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  17. holle vaten klinken het hardst. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  18. ijdele tonnen rollen het hardst. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  19. nomen nescio (=de niet genoemde persoon)
  20. als een spin in het web (=de persoon of organisatie waar alles om draait)
  21. met zijn talenten woekeren (=de persoonlijke mogelijkheden/gaven goed gebruiken)
  22. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  23. eb en vloed wachten op niemand (=de tijd gaat gewoon door)
  24. de molen is/loopt door de vang (=de zaak of persoon is in de war (gek))
  25. het beste paard van stal vergeten. (=een belangrijk persoon over het hoofd zien)
  26. een krent (=een gierig persoon)
  27. een slimme vogel (=een handig persoon met overal een oplossing voor)
  28. een echte Hannes (=een onhandig persoon)
  29. een oud paard hoort graag het klappen van de zweep. (=een oud persoon hoort graag verhalen over het oude vakmanschap)
  30. brave hendrik (=een persoon die op overdreven wijze de regeltjes volgt)
  31. een rots in de branding (=een persoon waarop je kunt vertrouwen en die je steunt.)
  32. met hem kun je gaan vissen (=een prettig persoon in de omgang)
  33. zo kalm als een zalm (=een rustig persoon)
  34. de slaap der rechtvaardigen slapen (=een schoon geweten hebben)
  35. een harde knoest heeft een scherpe bijl nodig (=een slechte gewoonte is moeilijk te verdringen)
  36. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  37. dat is een kwal (=een uiterst vervelend persoon)
  38. een aflossing van de wacht (=een vervanging van de ene persoon door een andere)
  39. een vriendelijk gezicht brengt overal licht (=een vrolijk persoon weet vaak meer te bereiken dan een nors persoon)
  40. een lulletje rozenwater (=een weinig dynamisch persoon)
  41. een pilaarbijter (=een zeer schijnheilig / hypocriet persoon)
  42. de rechte weg is de beste (=eerlijkheid loont)
  43. geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
  44. geen katje om zonder handschoenen aan te pakken (=geen gemakkelijk persoon)
  45. door de bank genomen (=gemiddeld; meestal; gewoonlijk)
  46. het is moeilijk de oude mens af te leggen. (=gewoonten zijn moeilijk af te leren)
  47. als het varken zat is, gooit het de bak om. (=gezegd als iemand geen dankbaarheid toont)
  48. beer op sokken (=gezegd van een dik, plomp persoon)
  49. Hollands welvaren (=gezegd van een zeer gezond uitziend persoon)
  50. buig de boom als hij jong is (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)

10 dialectgezegden bevatten `oon`

  1. afzee gelèk juseke oon zaie kroeës (=zwaar lijden) (Overijses)
  2. das en ronne taufel, door isj gienen iejnen hoek nimier oon (=ze niet meer alle vijf op een rijtje hebben) (Aalsters)
  3. door es veil weirk oon (=die is gek) (Aalsters)
  4. Eeveras e pajnske oon ange (=Van iets een drama maken) (Overijses)
  5. ge zetter weir een pansj ont oon angen ein! (=Je bent de tijd weer aan het rekken!) (Aalsters)
  6. get et oon aa fles of oon aa klute (=je hebt het zitten) (tervurens)
  7. kzen schampavie / 'k goin voets / 'k goin oon (=ik ga voort) (Overijses)
  8. oon de Oilsjteneers; As ge ni een wetj vraug het oon Zjan-Lowie (=Kan ik u helpen) (Aalsters)
  9. oon de waggel aave (=bezig houden of op de lange baan schuiven) (tervurens)
  10. we zen voets, we goon oon (=we zijn voort) (Overijses)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen