Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


73 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `nemen`

  1. akte van iets nemen (=er nota van nemen - onthouden)
  2. bij de neus nemen (=iemand beetnemen)
  3. daar kan je gif op innemen (=je mag er zeker van zijn dat het gaat gebeuren)
  4. de benen nemen (=er vandoor gaan)
  5. de biecht afnemen (=ondervragen)
  6. de draad van het verhaal opnemen (=het verhaal of de taak verderzetten op de plaats waar eerder gestopt was)
  7. de egards (tegenover iemand) in acht nemen (=met de nodige beleefdheid behandelen)
  8. de handschoen opnemen (=het gevecht aangaan)
  9. de kap aannemen (=in een klooster gaan)
  10. de kuierlatten nemen (=te voet gaan)
  11. de sluier aannemen (=in een klooster gaan)
  12. de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. (=veel goede voornemens hebben zonder ze daadwerkelijk uit te voeren)
  13. de wind uit de zeilen nemen (=iemand dwars zitten)
  14. de woorden uit de mond halen/nemen (=zeggen wat de ander ook net wou zeggen)
  15. een bocht nemen (=van gedachten veranderen)
  16. een geeltje van de plank nemen (=een oude preek herhalen)
  17. een keer nemen (=een wending nemen, veranderen)
  18. een loopje met iemand nemen (=zich weinig van iemand aantrekken (die de leiding heeft))
  19. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  20. ergens zijn hoed voor afnemen (=er voor in bewondering staan)
  21. gas terugnemen (=het iets rustiger aan gaan doen.)
  22. geen blad voor de mond nemen (=precies zeggen hoe er over iets gedacht wordt)
  23. goed van aannemen (=verstandig)
  24. hand over hand toenemen (=iets wordt steeds erger)
  25. het brood uit de mond nemen/stoten (=de kostwinning ontnemen)
  26. het ervan nemen (=ervan genieten - niet werken)
  27. het habijt aannemen (=in het klooster gaan)
  28. het heft in eigen hand(en) nemen (=de leiding nemen)
  29. het masker afdoen/afleggen/afnemen (=zijn ware gezicht tonen)
  30. het recht in eigen hand nemen. (=eigenmachtig optreden.)
  31. hoog opnemen (=zeer kwalijk nemen)
  32. iemand bij de neus nemen. (=iemand voor de gek houden; iemand bedriegen.)
  33. iemand de kroon van het hoofd nemen (=iemand te schande maken)
  34. iemand de wind uit de zeilen nemen (=iets doen/zeggen en daarmee zorgen dat iemand's kritiek verstomt)
  35. iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien)
  36. iemand in de arm nemen (=iemand de hulp vragen om te ondersteunen)
  37. iemand in de boot nemen (=met iemand een grap uithalen)
  38. iemand in de maling nemen (=iemand voor de gek houden)
  39. iemand in de tang nemen. (=iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen. / Iemand in zijn macht hebben.)
  40. iemand in het ooitje nemen (=met iemand een grap uithalen of voor de gek houden)
  41. iemand onder handen nemen (=iemand flink aanpakken / mishandelen)
  42. iemand onder zijn vleugels nemen (=iemand berschermen of verzorgen)
  43. iemand op de hak nemen (=iemand er van tussen nemen of over iemand praten in uiting van spot)
  44. iemand op de hak nemen (=een grap over iemand maken)
  45. iemand op sleeptouw nemen (=omdat iemand het alleen niet lukt diegene helpen, iemand steeds maar dingen beloven zonder die na te komen, iemand gebruiken voor eigen belang zoner dat die het doorheeft)
  46. iemand te grazen nemen (=iemand een gemene streek leveren, op gemene manier er tussen nemen)
  47. iets hoog opnemen (=ergens zeer gekrenkt over zijn)
  48. iets met een korreltje zout nemen. (=iets niet helemaal voor waarheid aannemen.)
  49. iets of iemand op de korrel nemen (=kritiek op iets of iemand hebben)
  50. iets onder de loep nemen (=iets nauwkeurig onderzoeken)

113 betekenissen bevatten `nemen`

  1. bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
  2. zijn leven in de waagschaal stellen (=actie ondernemen waarbij het eigen leven in gevaar kwam)
  3. tot de bedelstaf/bedelzak brengen (=alle aardse bezittingen ontnemen)
  4. geen klaviertje over slaan (=alle bijzonderheden in acht nemen)
  5. niets afslaan behalve vliegen (=alles aannemen)
  6. zijn ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
  7. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
  8. ergens een handje van hebben (=als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen en een ander het werk bv laten doen)
  9. goed voorbeeld doet goed volgen. (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  10. goed voorgaan doet goed volgen. (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  11. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt. (=als men steeds risico's blijft nemen, gaat het een keer mis.)
  12. in de luren leggen (=beetnemen)
  13. de rubicon overtrekken (=de beslissende stap ondernemen)
  14. de kogel door de kerk laten gaan (=de beslissing nemen)
  15. het brood uit de mond nemen/stoten (=de kostwinning ontnemen)
  16. het heft in eigen hand(en) nemen (=de leiding nemen)
  17. van de troon stoten (=de macht ontnemen)
  18. van zijn voetstuk stoten (=de macht ontnemen - ontmaskeren)
  19. het gras voor de voeten wegmaaien (=de woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  20. de kat uit de boom kijken. (=een afwachtende houding aannemen)
  21. de schepen achter zich verbranden (=een besissing nemen en niet meer terug kunnen)
  22. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  23. samen onder een deken liggen (=een gezamenlijk standpunt innemen)
  24. zich in het hol van de leeuw wagen (=een groot risico nemen , rechtstreeks bij de vijand te rade gaan)
  25. alles op een kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  26. een krop opzetten (=een hoge borst opzetten - een fiere houding aannemen)
  27. het tij keren (=een ontwikkeling stoppen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het toenemen van zinloos geweld. Zie getij.)
  28. een bonte kraai maakt nog geen winter (=één voorbeeld is niet genoeg om een definitief besluit te nemen)
  29. een keer nemen (=een wending nemen, veranderen)
  30. niet over een nacht ijs gaan (=eerst nadenken voor men iets doet - geen risico's nemen)
  31. de wind niet door de hekken laten waaien (=elke gelegenheid te baat nemen)
  32. er een puntje aan kunnen zuigen (=er een voorbeeld aan kunnen nemen)
  33. er niet aan kunnen tippen (=er een voorbeeld aan kunnen nemen)
  34. akte van iets nemen (=er nota van nemen - onthouden)
  35. feestelijk danken (=er voor danken maar het zeker niet aannemen)
  36. in het water vallen (=falen (een opzet, een voornemen, een plan), mislukken, niet doorgaan.)
  37. waar de boom gevallen is, blijft hij liggen. (=gedane zaken nemen geen keer.)
  38. niets dan lege briefjes hebben in te brengen (=geen beslissingen mogen nemen dan lege briefjes)
  39. aan je laars lappen. (=geen notitie nemen van regels, wet of voorschriften.)
  40. als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan. (=genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
  41. in de waagschaal stellen (=groot risico nemen)
  42. het schip ingaan. (=groot risico nemen, leidend tot verlies.)
  43. er de boter uit braden (=het ervan nemen)
  44. oude schoenen wegwerpen voor men nieuwe heeft (=het onzekere voor het zekere nemen)
  45. een lans breken voor (=het opnemen voor)
  46. het licht betimmeren (=het uitzicht benemen)
  47. iets uit het hoofd laten. (=het vaste voornemen hebben om iets na te laten, iets niet doen.)
  48. een lans breken voor iemand (=het voor iemand opnemen, voor iemand de best doen diegene ergens mee te helpen iets te verkrijgen)
  49. als hamerstuk behandelen (=het voorstel zonder discussie aannemen.)
  50. geen water is hem te diep. (=hij durft alles te ondernemen.)

Het dialectenwoordenboek kent 94 spreekwoorden met `nemen`

  1. Brakels: ne kiejr afkaap'n (=siesta nemen)
  2. Bargoens: in de zeik nemen (=in de maling nemen)
  3. Amsterdams: In de feiling nemen (=In de maling nemen, Voor de gek houden)
  4. Amsterdams: In de veiling nemen (=In de maling nemen, Voor de gek houden)
  5. Zwols: Een ofzäkkertien nemmn (=Een laatste borrel nemen)
  6. Kotnaaks: tegriest goin (=een kortere weg nemen)
  7. Oudenbosch: de klevetter opgaon (=viervoets de benen nemen)
  8. Genneps: beij de feeter hebbe (=te grazen nemen)
  9. Giessendams: wafferemôme (=Welke moeten we nemen)
  10. Hals: in zaane nek zitte (=iemand in het ootje nemen)
  11. Westerkwartiers: alles op 't spel zett'n (=alle risico's nemen)
  12. Opglabbeeks: de knuip duurhuiwe (=belangrijke beslissing nemen)
  13. Bilzers: mét zene sjabbernak pakke (=bij zijn nekvel nemen)
  14. Westerkwartiers: de knoop deurhakk'n (=een beslissing nemen)
  15. Veurns: èn oek ofsteek'n (=een kortere weg nemen)
  16. Kotnaaks: te griest goin (=een kortere weg nemen)
  17. Genneps: iemand vór vief cènt gèève (=iemand flink onderhanden nemen)
  18. Munsterbilzen - Minsters: iemed get koejlëk pakke (=iemand iets kwalijk nemen)
  19. Westerkwartiers: één op 'e hak nemm'n (=iemand in het ootje nemen)
  20. Gelaens (Geleens): Emes vernäöke. (=Iemand in het ootje nemen.)
  21. Zwols: de gek an steken (=in de maling nemen)
  22. Rijsoords: Waffere momme ? (=Welke moeten we nemen ?)
  23. Roermonds: bikkesemente in dae gevel duje (=voedsel tot je nemen)
  24. Sint-Niklaas: ne kloot afdrjaan (=beet nemen)
  25. Waregems: een woordse placeer'n (=even (kort) het woord nemen)
  26. Giethoorns: Het vleis liever em as de botten (=Het allersbeste nemen)
  27. Munsterbilzen - Minsters: iemes ne kloet aofdraeë (=iemand in de maling nemen)
  28. Munsterbilzen - Minsters: mèt zen libbere pakke (=met zijn vel nemen)
  29. Twents: enen de moat nehm (=een opmeten/ harde maatregelen nemen.)
  30. Munsterbilzen - Minsters: iemes de hand boëve de kop haate (=iemand in bescherming nemen)
  31. Twents: Ze driet oe in de kloopn (=Ze nemen je te grazen)
  32. Twents: Zo doot oe bie'n bok (=Ze nemen je te grazen)
  33. Westerkwartiers: één met 'n korreltje zolt nemm'n (=iemand niet serieus nemen)
  34. Waregems: dr es geeën droad an ebrookn (=we nemen het u niet kwalijk)
  35. Waregems: iemand over de kouter voer'n (=een loopje nemen met iemand)
  36. Veurns: drukk'n zoender iente (=het nieuw nauw nemen met de waarheid)
  37. Gelaens (Geleens): Emes aan de baom gaon. (=Iemand in het ootje nemen.)
  38. Twents: Ze miech toe an de koar (=Ze nemen je te grazen)
  39. Bilzers: tés geen daudzin métten sjaun vroo te sloëpe, waol dërter wakker lengs te blijve ligge (=gemiste kansen nemen geen keer)
  40. Bilzers: ne goejje op z'n hat zètte (=een flinke borrel tot zich nemen)
  41. Twents: Ik loat mie nich in 'n tuk driet'n (=Ik laat me niet beet nemen!)
  42. Oudenbosch: goed da oew gat vastzit anders vergaate da ok nog (=iets vergeten mee te nemen)
  43. Ninoofs: 't es van'n trok dagge moetj leven (=je moet de gelegenheid te baat nemen)
  44. Westerkwartiers: vis wil swemm'n (=na het eten van een visje een drankje nemen)
  45. Waalwijks: 'R tuusenuit naaie. ''Hij naait er van tuuse'' of ''Hij naait 'm'' (=De benen nemen (weg vluchten))
  46. Oudenbosch: daor gaode gin melk aole (=die laat zich niet in de maling nemen)
  47. Bilzers: Lot dich nie verniëke! (=Laat je niet bij de neus nemen!)
  48. Westerkwartiers: de liefde ken niet van één kaant komm'n (=men moet geven en nemen)
  49. Munsterbilzen - Minsters: baeter spijt hëbbe van woste waol gedon, dan van woste nie gedon hëbs (=gedane zaken nemen geen keer)
  50. Westerkwartiers: ik zal dij de navvel es uutvrutt'n (=ik zal jou eens onder handen nemen)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen