Spreekwoorden met `lap`

Zoek

43 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `lap`

  1. als klap op de vuurpijl (=een verrassing)
  2. bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  3. de broek lappen en het garen toegeven (=er veel verlies aan overhouden)
  4. de eerste klap is een daalder waard (=een goed begin is het halve werk)
  5. de slaap der rechtvaardigen slapen (=een schoon geweten hebben)
  6. de slappe lach hebben/krijgen (=niet kunnen stoppen met lachen)
  7. een gat in de dag slapen (=lang doorslapen)
  8. een gezicht van ouwe lappen (=een huilerig of lelijk gezicht)
  9. een klap van de molen (beet) hebben (=niet goed bij het verstand zijn)
  10. een klap van de molen gekregen hebben (=niet goed meer bij verstand zijn)
  11. een klap van een lamme aap krijgen (=gekwetst worden)
  12. een nieuwe lap op een oud kleed (=een zinloze toevoeging)
  13. een oud paard hoort graag het klappen van de zweep. (=een oud persoon hoort graag verhalen over het oude vakmanschap)
  14. een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
  15. een slap jantje zijn (=een sukkel zijn)
  16. er een nachtje over willen slapen (=er eerst over na willen denken)
  17. er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders (=er wordt alleen geroddeld als er ook naar geluisterd wordt)
  18. geen slapende honden wakker maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  19. goed in de slappe was zitten (=veel geld hebben)
  20. het klappen van de zweep kennen (=precies weten hoe het eraan toegaat, ervaren zijn)
  21. iemand voor het lapje houden (=iemand iets wijs maken of voor de gek houden)
  22. iets aan je laars lappen (=geen notitie nemen van regels, wet of voorschriften)
  23. in de lappenmand zitten (=ziek zijn)
  24. in de slappe was (=in de contanten, in het geld)
  25. lapsus calami (=schrijffout) (Latijn)
  26. lapsus memoriae (=aan het geheugen ontsnapt) (Latijn)
  27. maak geen slapende honden wakker (=zwijgen over iets, om te voorkomen dat een autoriteit op het idee komt om er werk van te maken)
  28. maak je bed zoals je wilt slapen (=iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden)
  29. met de kuikens gaan slapen. (=vroeg naar bed gaan)
  30. om de haverklap (=op alle mogelijke momenten, steeds weer opnieuw)
  31. op de lappen (=een beetje opgeknapt - op stap om te drinken)
  32. op het slappe koord dansen (=zijn kunsten vertonen - ook :risico`s nemen)
  33. op twee oren slapen (=je mag gerust zijn)
  34. slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
  35. slapende rijk worden (=veel geld verdienen zonder er iets voor te moeten doen)
  36. staan te slapen (=niet opletten)
  37. twee vliegen in een klap slaan (=twee problemen gelijktijdig oplossen)
  38. uit de school klappen (=iets vertellen wat men niet mag zeggen)
  39. vloeken als een bootwerker/kartouw/ketellapper/ketter (=onbeheerst vloeken)
  40. voor het lapje gaan (=zeer voorspoedig gaan zonder problemen)
  41. werken als een rode lap op een stier (=onmiddellijk erg kwaad maken)
  42. wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  43. wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)

16 betekenissen bevatten `lap`

  1. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  2. een veeg uit de pan krijgen (=een klap incasseren / op zijn donder krijgen / een standje krijgen)
  3. de nacht is een goede raadsman. (=een nachtje slapen is goed bij het nemen van beslissingen)
  4. een schuimspaan zijn (=een zuiplap of niksnut zijn)
  5. slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
  6. de nacht brengt raad. (=ergens een nachtje over slapen leidt tot betere beslissingen of oplossingen)
  7. onder zeil gaan (=gaan rusten of slapen, vertrekken of weggaan)
  8. zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)
  9. iemand een hengst verkopen. (=iemand een harde klap geven)
  10. ik ga horizontaal (=ik ga slapen)
  11. je schrap zetten (=klaarmaken om de klap op te vangen)
  12. een gat in de dag slapen (=lang doorslapen)
  13. je mond voorbij praten (=meer zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)
  14. als een marmot (=slapen als een marmot : diep, rustig)
  15. wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)
  16. bij nacht en ontij (werken/zijn) (=wanneer anderen slapen)

26 dialectgezegden bevatten `lap`

  1. 'T en eet 'r ginne lap an (=Het is niet te vergelijk) (Harelbeeks)
  2. (van) pillong geven, er een lap / kartets op geven (=flink aanpakken, vaart maken) (Wichels)
  3. das nen taajge lap (=dat is pezig vlees) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. das zjus kautsjoe (=dat is een taaie lap (vlees)) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. das zjus ne laere lap (=dat is pezig vlees) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. Der een kartetch op geven (=Er een lap op geven) (Moorsel)
  7. hai fietst mi nu zeimlere lap in zun bôks, tiggen d'n blikhers (=hij fietst met een zeemleren lap in zijn broek (tegen schrale billen) ) (Boakels)
  8. in de lap laot' n hang' n (=op zijn beloop laten) (Twents)
  9. je kan der gièène lap an leggn (=hij kan niet winnen) (kortemarks)
  10. lap rond ui ooër'n krij'n (=klap om de oren krijgen) (Waregems)
  11. lap ut um ok mar us!! (=doe het maar eens na!!) (Tilburgs)
  12. men toeng és zjus ne laere lap (=ik stik van de dorst) (Bilzers)
  13. mën toeng ès zjus ne laere lap (=ik heb een verschrikkelijke dorst) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. n toeng höbbe waaj ne laere lap (=hevige dorst lijden) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. n toeng waajne laere lap hêbbe (=hevige dorst hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. ne kautsjoeë lap (=te hard gebakken vlees) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. ne klopinkel zoe bloo asne lap (=blauwe enkel door het tegen mekaar kloppen van de enkels) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. ne lap in au wezen (=een slag in uw gezicht) (Wetters)
  19. opte lap goën (=op stap gaan, gaan zuipen) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. petje lap (=plaatsvervangend dooppeter) (Ninoofs)
  21. Pjeutje lap doen (=Voetje lichten) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  22. tempére-de lap laote drin haange (=rustig aan doen) (Mestreechs)
  23. un tong höbbe wie unne lere lap (=erge dorst hebben) (Mestreechs)
  24. we gon buzze geven (=wij zullen er eens een lap op geven) (Sint-Niklaas)
  25. zoe bloo as ne lap (=heel blauw) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. zoeë tei wie eine laere lap (=uitspraak als het vlees erg taai is) (Heitsers)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen