Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

41 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `lap`

  1. als klap op de vuurpijl (=een verrassing)
  2. Bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=Geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  3. de broek lappen en het garen toegeven (=er veel verlies aan overhouden)
  4. de eerste klap is een daalder waard (=een goed begin is het halve werk)
  5. de slaap der rechtvaardigen slapen (=een schoon geweten hebben)
  6. de slappe lach hebben/krijgen (=niet kunnen stoppen met lachen)
  7. een gat in de dag slapen (=lang doorslapen)
  8. een gezicht van ouwe lappen (=een huilerig of lelijk gezicht)
  9. een klap van de molen (beet) hebben (=niet goed bij het verstand zijn)
  10. een nieuwe lap op een oud kleed (=een zinloze toevoeging)
  11. Een oud paard hoort graag het klappen van de zweep. (=Een oud persoon hoort graag verhalen over het oude vakmanschap)
  12. een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
  13. er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders (=er wordt alleen geroddeld als er ook naar geluisterd wordt)
  14. ergens een nachtje over willen slapen (=er eerst over na willen denken)
  15. geen slapende honden wakker maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  16. goed in de slappe was zitten (=veel geld hebben)
  17. het klappen van de zweep kennen (=precies weten hoe het eraan toegaat, ervaren zijn)
  18. hij heeft een klap van de molen gekregen (=hij is niet goed meer bij zijn verstand)
  19. hij stond te slapen (=hij lette niet op)
  20. iemand voor het lapje houden (=iemand iets wijs maken of voor de gek houden)
  21. iets aan je laars lappen (=geen notitie nemen van regels, wet of voorschriften)
  22. in de lappenmand zitten (=ziek zijn)
  23. in de slappe was (=in de contanten, in het geld)
  24. lapsus calami (=schrijffout) (Latijn)
  25. lapsus memoriae (=aan het geheugen ontsnapt) (Latijn)
  26. men moet geen slapende honden wakker maken (=zwijgen over iets, om te voorkomen dat een autoriteit op het idee komt om er werk van te maken)
  27. men moet zijn bed maken zoals men slapen wil (=iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden)
  28. om de haverklap (=op alle mogelijke momenten, steeds weer opnieuw)
  29. op de lappen (=een beetje opgeknapt - op stap om te drinken)
  30. op het slappe koord dansen (=zijn kunsten vertonen - ook :risico's nemen)
  31. op twee oren slapen (=je mag gerust zijn)
  32. slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
  33. slapende rijk worden (=veel geld verdienen zonder er iets voor te moeten doen)
  34. twee vliegen in een klap slaan (=twee problemen gelijktijdig oplossen)
  35. Twee vliegen in één klap slaan (=Efficiënt bezig zijn)
  36. uit de school klappen (=iets vertellen wat men niet mag zeggen)
  37. vloeken als een bootwerker/kartouw/ketellapper/ketter (=onbeheerst vloeken)
  38. voor het lapje gaan (=zeer voorspoedig gaan zonder problemen)
  39. werken als een rode lap op een stier (=onmiddellijk erg kwaad maken)
  40. Wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=Blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  41. Wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=Voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)

15 betekenissen bevatten `lap`

  1. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  2. een veeg uit de pan krijgen (=een klap incasseren / op zijn donder krijgen / een standje krijgen)
  3. een schuimspaan zijn (=Een zuiplap of niksnut zijn)
  4. slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
  5. onder zeil gaan (=gaan rusten of slapen, vertrekken of weggaan)
  6. zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)
  7. Iemand een hengst verkopen. (=Iemand een harde klap geven)
  8. ik ga horizontaal (=ik ga slapen)
  9. zich schrap zetten (=klaarmaken om de klap op te vangen)
  10. een gat in de dag slapen (=lang doorslapen)
  11. zijn mond voorbij praten (=meer zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)
  12. in Morpheus' armen liggen (=slapen)
  13. als een marmot (=slapen als een marmot : diep, rustig)
  14. Wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=Voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)
  15. bij nacht en ontij (werken/zijn) (=wanneer anderen slapen)

Het dialectenwoordenboek kent 42 spreekwoorden met `lap`

  1. Beerses: in de lapmand liggen (=ziek zijn)
  2. Astens: wanne lapzwans (=lui iemand)
  3. Amsterdams: Lamzak, Lamlul, lapzwans, (=Nietsnut)
  4. Veurns: ze gat vaah'n an... (=aan zijn laars lappen)
  5. Zeeuws: je trok un hezicht van ouwe lapn (=je kijkt sip)
  6. Flakkees: un miêtje dordejuun (=lapje met uien van de boer)
  7. Munsterbilzen - Minsters: iemed èn de koets zètte (=iemand voor 't lapje houden)
  8. Vejels: iene puitje lappe (=Iemand laten struikelen)
  9. Munsterbilzen - Minsters: opte lep gon (=op de lappen gaan)
  10. Overmeers: 'n lapken grond of ne veurschueut grond (=een stuk grond)
  11. Horster: ów 't laplazerus ..... (=zich te pletter .....)
  12. Gents: op larie goan, op zijnen dril goan (=op zijn lappen gaan)
  13. Zeeuws: held deur de billen lappn (=geld over de balk gooien)
  14. Westerkwartiers: één veur 't lapke holl'n (=iemand voor de gek houden)
  15. Amsterdams: dan kan je lappen kakken (=heb je goed gegeten?)
  16. Ninoofs: petje lap (=plaatsvervangend dooppeter)
  17. Aarschots: Oep de lappe gaan (=Biertjes gaan drinken)
  18. Zaans: Een broek lappe en gare toegeve (=Het kost meer dan dat het opbrengt)
  19. Sinnekloases en niekaarks: dat zijn nog-àl lappen (=dat is toch wel erg)
  20. Aalsters: lap (=Het is zover)
  21. Genneps: Iemes peutje lappen (=Iemand beentje lichten)
  22. Lovendegems: iemand nen toer lappen (=iemand een loer draaien*)
  23. Boakels: hai fietst mi nu zeimlere lap in zun bôks, tiggen d'n blikhers (=hij fietst met een zeemleren lap in zijn broek (tegen schrale billen))
  24. Hoogstraats: duiven gaan lappen (=Duiven ergens zuidwaarts gaan loslaten)
  25. Zeeuws: ie trok un hezicht va nouwe lappen (=lelijk kijken)
  26. Munsterbilzen - Minsters: da lapter heil ziëker on zen botte (=daar trekt die zich zeker niks van aan)
  27. Munsterbilzen - Minsters: das zjus kautsjoe (=wat een taaie lap (vlees))
  28. Mestreechs: un tong höbbe wie unne lere lap (=erge dorst hebben)
  29. Sint-Niklaas: we gon buzze geven (=wij zullen er eens een lap op geven)
  30. Gents: ij ee 't lapken, ij ee 'n tonge van lintjes, ij ee de muile (=iemand die het goed kan uitleggen)
  31. Tilburgs: lap ut um ok mar us !! (=doe het maar eens na !!)
  32. Harelbeeks: 'T en eet 'r ginne lap an (=Het is niet te vergelijk)
  33. Munsterbilzen - Minsters: n toeng höbbe waaj ne laere lap (=hevige dorst lijden)
  34. Rotterdams: Hebbie 'goed' gegeten, dan keije morregu lappe scheite (Goed=kleding) (=Heb je goed gegeten?)
  35. Wetters: ne lap in au wezen (=een slag in uw gezicht)
  36. Munsterbilzen - Minsters: ja lap ! (=dat moest er nog bijkomen !)
  37. Bilzers: men toeng és zjus ne laere lap (=ik stik van de dorst)
  38. Waregems: lap rond ui ooër'n krij'n (=klap om de oren krijgen)
  39. Twents: in de lap laot'n hang'n (=op zijn beloop laten)
  40. Munsterbilzen - Minsters: lap ! (=het zitten hebben)
  41. Mestreechs: tempére-de lap laote drin haange (=rustig aan doen)
  42. Munsterbilzen - Minsters: ne klopinkel zoe bloo asne lap (=blauwe enkel door het tegen mekaar kloppen van de enkels)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen