Spreekwoorden met `kos`

Zoek

13 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kos`

  1. bij Sint Joris in de kost zijn (=ergens gratis eten)
  2. de keel kost veel (=herhaalde dronkenschap leidt tot armoede)
  3. de kost gaat voor de baat uit (=eerst moeten er kosten worden gemaakt alvorens men er iets aan verdienen kan)
  4. de kraag kosten (=ergens bij om het leven komen)
  5. er is geen ijs of het kost mensenvleis (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  6. in adamskostuum (=naakt, zonder kleren)
  7. je ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
  8. je zult ze maar de kost moeten geven (=het zijn er veel (mensen))
  9. koste wat kost (=hoe dan ook. (ook wel: coûte que coûte))
  10. onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers (=er bestaan nu eenmaal merkwaardige mensen)
  11. twee joden weten wat een bril kost (=we hoeven elkaar niets wijs te maken)
  12. vragen kost geen geld (=al heb je weinig kans, je kan het in elk geval maar vragen)
  13. wat doe je voor de kost? (=hoe verdien je je geld?)

31 betekenissen bevatten `kos`

  1. met de vork schrijven (=afzetten, meer kosten rekenen dan werkelijk gemaakt)
  2. het gelag betalen (=alle kosten moeten betalen terwijl ook anderen er schuld aan hebben)
  3. voor niets gaat de zon op (=alles kost geld en/of moeite)
  4. dat is een klontje boter uit zijn pap (=dat kost een flink deel van zijn fortuin)
  5. een bodemloze put (=dat kost ontzettend veel geld)
  6. de groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=de machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  7. sijmen betaalt (=diegene die het minste verdient draagt de kosten)
  8. in de papieren lopen (=duur uitkomen, veel geld kosten)
  9. het is kruis of munt, zei de non en ze trouwde de bankier (=een keuze voor het materiële kan ten koste gaan van het spirituele)
  10. de kost gaat voor de baat uit (=eerst moeten er kosten worden gemaakt alvorens men er iets aan verdienen kan)
  11. er behoort meer tot een huishouden dan het zoutvat. (=er zijn veel bijkomende kosten)
  12. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  13. Keulen en Aken zijn niet op een dag gebouwd (=grote projecten kosten tijd (en vergen geduld))
  14. het is geen roofgoed (=het heeft veel geld (of moeite) gekost)
  15. het is zondegeld (=het is jammer dat daar kosten voor gedaan zijn)
  16. het eet geen brood (=het kost niets om het te bewaren, behoeft geen onderhoud)
  17. men vindt geen molenaar of hij at gestolen koren. (=ieder zoekt zijn voordeel, ook al is het ten koste van anderen.)
  18. iemand de rekening presenteren (=iemand de kosten ten laste brengen (ook figuurlijk))
  19. goedkoop is duurkoop (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud)
  20. cum expensis (=met (on)kosten)
  21. onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
  22. een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
  23. de noppen van de kleren houden (=onkosten met zich meebrengen)
  24. witte paarden hebben veel stro nodig (=pronkzieke vrouwen kosten veel geld)
  25. eten dat je zweet en werken dat je het koud krijgt, dat zijn de waren. (=slecht personeel. Uit de tijd dat meiden en knechts bij de boer in de kost waren.)
  26. voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten (=tegen minimale kosten maximaal voordeel verlangen)
  27. veel voeten in de aarde hebben (=veel moeite en tijd kosten)
  28. om de dooie dood niet (=volstrekt niet, in geen geval, al kost het me mijn leven)
  29. wie niet werkt zal niet eten (=wie niet werkt verdient de kost niet)
  30. een Pyrrhusoverwinning behalen (=winnen wat zoveel heeft gekost dat je de volgende ronde niet meer aan kan)
  31. je ellebogen gebruiken (=zich ten koste van anderen opwerken)

50 dialectgezegden bevatten `kos`

  1. 't kos êrger (=het valt allemaal nogal mee) (Bilzers)
  2. 't kos koajer (=niet slecht) (Geffes)
  3. 't kos koijer (=Het kan slechter) (Veghels)
  4. 't kos kojjer (=Het kon slechter) (Brabants)
  5. 't wos mêr slappe kos (=dat was maar een matige vertoning) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. aa, dinge dae zen K.nie kos vringe (=dinge, hoe heet die nu ook weer) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. as ich tat mér goed dos, dan kos ich dat ooch (=als ik dat goed aandurfde, dan kon ik dat zeker) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. da kos penke-poenke (=dat is duur) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. da kos stëkke van minse (=dat kost veel moeite) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. da kos stükke van minse (=daar is veel moeite voor nodig) (Bilzers)
  11. da kos toebak (=dat kost inspanningen) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. daaj kos vieër kotse (=als 't hart in brand staat, vliegen de vonken uit de mond) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. dae és al e tijdsje bij Zjeezeke énde kos (=hij is al een tijdje dood) (Bilzers)
  14. dae kos toë nie goed aote (=hij kon daar niet goed aarden) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. das mér slappe kos (=dat is beneden alle peil) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. das slappe kos (=dat is maar zwakjes) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. das straffe kos (=amaai zeg, dat betekent veel) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. dat kos klauwe geldj (=dat is erg duur, dat kost handenvol geld) (Steins)
  19. dat kos kneep (=dat is duur) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. daud gon ès heil dieër, het kos tich ze laeve! (=sterven is het ergste dat er is) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. de kleene kos zen koeter nimei oëpehaage (=de kleine was dood moe) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. de kos ëm zën ribbe tëlle (=hij was broodmager) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. kos gin stèùte lije. (=daar kon geen goed woord over gezegd worden.) (Tilburgs)
  24. kos te tòch meej oew klompen ònvuule (=dat kon je toch met je klompen aanvoelen) (Tilburgs)
  25. de kos ter e spengske heire valle (=het was er muisstil) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. de kos wol ès gelijk hëbbe (=ik geloof er geen bal van !) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. dich bès gegaeve te dier, alleen al vër de kos (=je kan je eten nog niet eens terug verdienen) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. dieje rôoje kos et raoje (=die rode rakker kon het wel raden) (Tilburgs)
  29. doë kos ich mën haan nog ës aoën werme (=jongens, die heeft dikke memmen) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. doë kos ich nie mèt onder de viet aut (=daar wist ik geen blijf mee) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. ën vroo teent mich toch zoe aad, ët kos ëm zën ma wol zien (=zijn vrouw lijkt me zo oud als zijn eigen moeder) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. Es ich kreeg waat ich wól en ich kos waat ich meindje veel 't missjien nog mèt! (=Als ik kreeg wat ik wou en ik kon wat ik meende viel het misschien nog mee!) (Kinroois)
  33. ët kos nog baetër, mér dan wor ët nog dierdër (=voor wat, hoort wat) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. Eten en drinke es den have kos (=hebben we nog wat in huis?) (Bilzers)
  35. ge most kerbiet lusse, dan kos te öt mekaar ploffe (=blaast hem toch op man) (Tilburgs)
  36. haaj ich hei-j gevrete en bendj gesliktj, dan kós ich beesems schiête........ (=als iemand zegt: had ik maar........) (Weerts)
  37. hae ès nog bij zen aars èn de kos (=hij is nog thuis) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. hae kos geen tein mei tëlle (=hij stond er verslagen bij) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. hae kos mich daud kieke (=met zijn ogen kon hij me wel doden) (Munsterbilzen - Minsters)
  40. hae kos wol aut ze vel springe (van roeëzernaaj) (=hij was razend kwaad) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. hae kos zen haan wol ès verbranne (=de mijnwerker haalde de hete kolen uit het vuur) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. hai kôs nie komme (=hij kon niet komen) (Boakels)
  43. kos nie hèrs òf geens (=hij kon geen kant meer op) (Tilburgs)
  44. kos ut hillemòl allêeneg (=hij kon het helemaal alleen) (Tilburgs)
  45. het kos minder zien (=het kon nog slechter) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. het kos slaechter zin (=het gaat wel !) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. hoeveul zo dè kòsse nou dè kos goed un tientje zèèn. (=hoeveel zou dat kosten nou dat zou best eens een tientje kunnen zijn.) (Tilburgs)
  48. ich kós dich neet mièr truuk (=ik herkende je niet meer) (Sint-joasters)
  49. ich kos gërès zëne pa zin (=je komt nog maar pas kijken, zo jong) (Munsterbilzen - Minsters)
  50. ich kos ieder bieke es lache (=de moed bijna opgeven) (Opglabbeeks)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen