Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


41 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `koe`

  1. dank je de koekoek (=mij niet gezien!)
  2. dat haal je de koekoek (=mij niet gezien!)
  3. dat is andere koek (=dat is heel iets anders)
  4. dat is een waarheid als een koe (=dat is overduidelijk waar)
  5. dat is lariekoek (=dat heeft iemand verzonnen)
  6. de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  7. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  8. de koe bij de horens vatten (=met de lastige zaak beginnen)
  9. de koe van de pastoor eet iedere dag mals gras (=wie trouw is aan machtige mensen, heeft een heerlijk leven)
  10. de koek is op (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
  11. een adder aan zijn borst/boezem koesteren (=iets doen voor een ondankbaar iemand)
  12. een heilige koe (=iets waar je niet aan mag komen en zuinig op bent, voor sommige mensen is dat bijv. een auto)
  13. een koekje van eigen deeg (=iets geven (of krijgen) wat oorspronkelijk bedacht is door degene die het krijgt (of geeft))
  14. Een oude vrouw en een oude koe, die vallen toe, maar een oude man en een oud paard zijn niets meer waard. (=Een oude vrouw kan soms nog wel wat doen, maar aan een oude man heb je niets dan last)
  15. een waarheid als een koe (=iets totaal vanzelfsprekends)
  16. er is meer dan een koe die blaar/bles heet (=de mening van anderen telt ook)
  17. ergens een melkkoetje aan hebben (=er veel voordeel uit kunnen halen)
  18. het hoofd koel houden (=kalm blijven, zich niet door de spanning laten meeslepen)
  19. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  20. het is koek en ei tussen hen (=ze zijn zeer bevriend)
  21. het is niet koek en ei (=er ontbreekt iets aan de situatie)
  22. Ieder bakt zijn koek zoals hij hem eten wil. (=Iedereen behartigt zijn zaken, op een manier zoals hij dat zelf wil.)
  23. iemand koeien met gouden horens beloven (=iets moois beloven maar niet nakomen)
  24. iets voor zoete koek slikken (=iets zomaar geloven)
  25. in koelen bloede iets doen (=geheel kalm en rustig iets doen, alsof er niets aan de hand is)
  26. je weet nooit hoe een koe een haas vangt (=het kan altijd nog op onverwachte wijze tot een oplossing komen)
  27. kletskoek (=onzin)
  28. koeien met gouden horens beloven (=het onmogelijke beloven)
  29. lieverkoekjes worden hier niet gebakken (=zin of geen zin, je moet het doen)
  30. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  31. op is de koek, en weg zijn de dubbeltjes (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
  32. oude koeien uit de sloot halen (=oude geschiedenissen terug ten tonele voeren)
  33. over koetjes en kalfjes praten (=over allerlei onbelangrijke dingen praten)
  34. uit de koets stappen (=overlijden)
  35. uit de koets vallen (=ontnuchterd worden)
  36. van achter de koeien/ploeg komen (=van boerenafkomst zijn)
  37. van iets zoveel verstand hebben als een koe van saffraan eten (=ergens geen verstand van hebben)
  38. zijn koetjes op het droge hebben (=genoeg (geld) hebben voor de rest van het leven)
  39. zo dom als het achtereind van een koe/varken (=erg dom)
  40. zo lustig zijn als een vogeltje dat koe heet (=buitengewoon loom zijn)
  41. zo rood worden als een kalkoense haan (=bloedrood worden (van schaamte))

Eén betekenis bevat `koe`

  1. een oogje op iemand hebben (=tedere, mogelijk verliefde, gevoelens voor iemand koesteren)

Het dialectenwoordenboek kent 91 spreekwoorden met `koe`

  1. Epers: de koeh wordt melk (=de koe moet kalven)
  2. Melseels: de koei zit vol (=de koe is zwanger)
  3. Westerkwartiers: loat dij niet onner 't moes stopp'n (=laat je niet koeieneren)
  4. Zeeuws: koeba'tje kom deur (=de zon komt door)
  5. Aalsters: koeipet 'em (=koop het em)
  6. Zeeuws: je zou z uut de koealen nie jeagen (=onnozel iemand)
  7. Tilburgs: koeje van pèèrde (=heel grote paarden)
  8. Tilburgs: mar juu Peer, wè heej die koej unnen öör !! (=maar Piet, wat heeft die koe een flinke uier !!)
  9. Venloos: die hebbe eine ganse koedeljach (=die hebben veel kinderen)
  10. Oudenbosch: ut groeit as ne koeisteert : recht naor beneje (=zo simpel is het)
  11. Veurns: d' er de koede kurs van krieg'n (=het grondig beu zijn)
  12. Asses: ze koeinn heum hâven méj e rot stroeê (=hij blijft makkelijk hangen)
  13. Munsterbilzen - Minsters: hae lik nog énzen koej (=hij slaapt nog)
  14. Izegems: koede koet is wok koet (=Onnozele praat is ook praat)
  15. Veurns: klutterbillen van de koede (=rillen van de kou)
  16. Bilzers: aut zen koej haole (=uit zijn hol lokken)
  17. Westerkwartiers: gien olle koei'n uut de sloot hoal'n (=gedane zaken niet weer oprakelen)
  18. Brugs: j'eet u lippe gelik u koeistalschippe (=met open mond staan kijken)
  19. Lichtervelds: je komt van e koedde kermesse tuus (=hij komt bedrogen uit)
  20. Deinzes: Zee' 'n ol om 'n koebeeste op te slachtn' (=Ze heeft een dik achterwerk.)
  21. Fries: Hoe giet it mei de kei (=Hoe gaat het met de koeien)
  22. Oudenbosch: koef nergus mir vor de deur uit (=alles gezien en doorzien)
  23. Genneps: Alles op zienen tied en boekende koe.k ien d'n herfst (=alles op zijn tijd)
  24. Tilburgs: de koej stòn in de waaj (=de koeien staan in de wei)
  25. Zeeuws: ie kiekt as un uul op un zieke koeie (=hij kijkt een beetje dom)
  26. Lutters: mit de koe noa de bolle (=met de koe naar de stier)
  27. Munsterbilzen - Minsters: n koe leeje (=met een koe naar de stier gaan)
  28. Nuths: De kow geit kaave (=De koe moet baren)
  29. Sallands: mit de koe noar de bolle (=met de koe naar de stier)
  30. Diesters: ich zen zoe dik as e verke (en koei); ich zen dempeg (=volgegeten)
  31. Mestreechs: d'r stoon twie keuj oonder de buim (=er staan twee koeien onder de bomen)
  32. Bergs: Dekoei lieparteviel (=De koe liep hard en viel)
  33. Sint-Katelijne-Waver: aa kuujen oêt de grècht sleure (=oude koeien uit de gracht sleuren)
  34. Leefdaals: da komt precies oet een koei uir gat (=dat is precies niet ordelijk)
  35. Veurns: geev'n lik de koeien die droge stoan (=gierig zijn)
  36. Diesters: zes zoe dik as en koei; zoe dik as e kanon; en zoeg (=dikke vrouw)
  37. Munsterbilzen - Minsters: èn akse sjiete (=de koe met de horens vatten)
  38. Sallands: Denne koene mut nog mölk'n wön. (=De koeien moeten nog gemolken worden.)
  39. Twents: muj de beest heurn toeten in de weer (=moet je de koeien horen loeien in de wei.)
  40. Zaamslags: Wawarisiswa, dahaniksvanaaf (=Dat is een waarheid als een koe)
  41. Zichems: te loemp veu in een koei heur gat ne goeiendag te roepe (=verschrikkelijk dom zijn)
  42. Munsterbilzen - Minsters: dat steet as ne poeël boëve watter (=dat is een waarheid als een koe)
  43. Munsterbilzen - Minsters: de kie wonten gehied of op den teir gehod opte bêm onder de kannedasse (=de koeien werden gehoed of plaatselijk vastgepind in de beemden onder de kanadabomen)
  44. Bevers: Beschete koei, beschete kallef (=De appel valt niet ver van de boom)
  45. West-Vlaams: ge zoet er de koede kwak van krieg'n,tis vo mieretetjes va te kriegn, Je kriegt d'r ennebubbels van (=je krijgt er kippevel van)
  46. Genneps: Dor is gén koe ân kapot (=Dat is niet zo erg)
  47. Bilzers: waajen koe noën traajn kieke (=verbaasd toezien)
  48. Langemarks: Luk ên oend up ê zieke koe (=Verdwaasd)
  49. Munsterbilzen - Minsters: zoe loemp asset aaterste vannen koe (=aartsdom)
  50. kortemarks: de koe stoat droîge (=de melk is op)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen