Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kas`

  1. als een olifant in de porseleinkast (=buitengewoon onvoorzichtig of tactloos)
  2. de kastanjes voor iemand uit het vuur halen (=voor iemand anders het gevaarlijke werk of een lastig klusje doen)
  3. de muizen sterven er voor de kast (=het is er armoe troef)
  4. een kerel als kas (=een stevig gebouwd kerel)
  5. een lijk in de kast (=een onaangename erfenis)
  6. het kastje bij het muurtje laten blijven (=de dingen niet gaan overdrijven)
  7. hij heeft net zoveel geld in de buidel als een jood spek in de kast (=hij is straatarm)
  8. iemand op de kast jagen (=iemand zijn goede humeur doen verliezen door plagen)
  9. iemand van het kastje naar de muur sturen (=iemand voor niets heen en weer laten lopen)
  10. in de ijskast zetten (=(tijdelijk) niet uitvoeren)
  11. kastelen in de lucht bouwen (=zich illusies maken)
  12. luchtkastelen bouwen (=zich illusies maken)
  13. poppetje gezien kastje dicht (=we laten het even zien, maar daarna is het voorbij)
  14. uit de kast komen (=voor je [seksuele] geaardheid uitkomen)
  15. voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast (=door voorzichtig te zijn, gaan tere zaken langer mee)
  16. zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen (=door zuinig en ijverig te zijn, kan men veel bereiken)

2 betekenissen bevatten `kas`

  1. om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  2. van stuurboord naar bakboord zenden (=van het kastje naar de muur sturen)

Het dialectenwoordenboek kent 29 spreekwoorden met `kas`

  1. Oudenbosch: ijis kasje zestien (=hij is overleden)
  2. Lebbeeks: kas: A kas opfrètt'n (=In spanning zitten / je ergeren)
  3. Ninoofs: go nor a kasjemat (=kruip in je bed)
  4. Aarschots: kassaastampers (=kasseistampers (legendarische bijnaam van de Aarschottenaars))
  5. Olens: die vant glaze kaske (=meisje dat niet vuil mag worden)
  6. Mechels (BE): kop in kas (=hoofd intrekken)
  7. Antwerps: zen kas oepvreite (=radeloos zijn)
  8. Beerses: Gij goadt ok vant kaske na de muur (=Snel van onderwerp veranderen)
  9. Bilzers: op zen kniëk (kas) haole (=opdoen)
  10. Veurns: Die 't breeëd èt, lat et breeëd ang'n (=Wie goed bij kas is , leeft royaal.)
  11. ninoofs: van 't kasken noër de mier gestierd wèren (=van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  12. Mestreechs: este ut laank höbs,lieste ut laank haange (=wanneer je goed bij kas zit)
  13. Sint-Katelijne-Waver: Aa kas oepfrette (=Zich ergeren)
  14. Sint-Katelijne-Waver: aa kas oepfrête (=tegenslag verwerken)
  15. Bilzers: alles autte kas haole (=met volle inzet)
  16. Lebbeeks: schoîjt: Da's iën'n dad onder zijn kas schoîjt (=Da's een bultenaar)
  17. Liedekerks: men kas opfretten van de zeenen (=zenuwachtig zijn)
  18. Ninoofs: a kas opfrett'n (=zich zorgen maken)
  19. Booms: Mie blaas et licht ôt, Jef stekt de stoof in de kas (=(krachtterm))
  20. Bilzers: de maajs ligge daud énde kas (=alle eten is op)
  21. Munsterbilzen - Minsters: zen kas aofvringe (=hard werken)
  22. Dilbeeks: zan kas opfrètt'n (=zich ergeren, ernstig zorgen maken)
  23. tervurens: sloogt da in aa kas (=nou breekt mijn klomp)
  24. Sint-Katelijne-Waver: aa kas oepfrette (=tegenslag verwerken)
  25. Tiens: aat ouw zen kas gekroupe (=zwak mager persoon)
  26. Clings: Die e schuune kommekus op de kas (=Die heeft mooie borsten)
  27. Munsterbilzen - Minsters: men kas geet autter voege (=ik heb wat veel gegeten)
  28. Antwerps: de moize ligge doëd in de kas (=De( koel) kast is bijna leeg)
  29. Munsterbilzen - Minsters: ich kos men kas opfraete dat dae klosjaar zjus vër men vitrin stond te baedele (=die zwerver stond recht voor mijn uitstalraam te bedelen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen