Eén spreekwoord bevat `groep`
- iets in de groep gooien (=iets in een groep bespreken)
8 betekenissen bevatten `groep`
- eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
- eerste viool willen spelen (=de meest prominente taak willen vervullen, bijvoorbeeld als leider of woordvoerder van de groep)
- de wind waait uit die hoek (=een mening van iemand uit een bepaalde groep/partij)
- een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
- een vreemde eend in de bijt (=een vreemd exemplaar in de groep. (Een bijt is een opening in het ijs))
- iets in de groep gooien (=iets in een groep bespreken)
- aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
- in het hoekje zitten waar de slagen vallen (=zich in een groep bevinden die altijd het moeilijk heeft of problemen krijgt)
20 dialectgezegden bevatten `groep`
- 't beste peerd van staal (=de beste van de groep) (Westerkwartiers)
- ' n rekke koereurs (=een groep renners) (Overmeers)
- bende van kartoesj (=samenzweerderige groep) (Diesters)
- da's 'n vremde eend ien 'e sloot (=die past helemaal niet bij de groep) (Westerkwartiers)
- dae veugtj zich flot (=hij wordt snel binnen een groep geaccepteerd; hij is gemakkelijk in de omgang) (Heitsers)
- Dao kump de bende van kartoesj. (=Daar komt een groep kwajongens aan.) (Roermonds)
- de bende Verstuyft [beruchte bende na WOI] (=een drukke groep mannen) (Wichels)
- De heule Mikmaeck ( de hele mikmak) (=Alles tegelijk- De hele boel- Iedereen , de hele groep) (Utrechts)
- De hieële zjwiek (=De hele groep) (Nunûms)
- De kluit belazeren (=Een grote groep mensen bedonderen) (Amsterdams)
- die hemm'm de overhaand (=die groep is in de meerderheid) (Westerkwartiers)
- een kudde schoap'm zunner herder (=een groep mensen zonder leider) (Westerkwartiers)
- één op sleeptouw nemm' n (=iemand in de groep meetrekken) (Westerkwartiers)
- hij ston d'r bij veur Piet Snöt (=hij mocht niet meedoen met de groep) (Westerkwartiers)
- ien ' e paas loop' n (=normaal met de groep meedoen) (Westerkwartiers)
- Ik zou er met liefde een mittrailleur over halen/ Ik zou er zo een mittrailleur over willen halen (=Ik ben zo klaar met die (groep, etters , politici, etc etc) ( je hekel uitspreken over een groep of persoon)) (Utrechts)
- krot en kompanie (=armtierige groep) (Meers)
- oep dən ánk zittə (=niet aanvaard worden in een groep) (Kalforts)
- op tram 6 zitte (=bij de groep van 60 jarigen behoren) (Munsterbilzen - Minsters)
- vurrop lopen (=hij loopt ver vooruit op de groep) (Sint-Niklaas)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen