Spreekwoorden met `goe`

Zoek


125 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `goe`

  1. aan een goed kantoor zijn (=op de juiste plaats zijn)
  2. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje)
  3. al het goede komt van boven (=alle zegen komt van god)
  4. al te goed is buurmans gek (=van te veel goedheid wordt misbruik gemaakt)
  5. alle goede dingen bestaan in drieën (=gezegd van iets waarvan men er twee heeft en een derde wil krijgen)
  6. als de vis goedkoop is stinkt ze (=de herkomst ergens van is niet te vertrouwen)
  7. beproeft alle dingen en behoudt het goede. (=weet wat er allemaal is, maar doe alleen de goede dingen)
  8. beter een goede buur dan een verre vriend (=vriendschap op afstand is minder waardevol)
  9. dat slaat als een knots op een kangoeroe (=dat choqueert je)
  10. de heler is net zo goed als de steler (=wie gestolen goed koopt is even slecht als de dief)
  11. de nacht is een goede raadsman. (=een nachtje slapen is goed bij het nemen van beslissingen)
  12. de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens (=veel goede voornemens hebben zonder ze daadwerkelijk uit te voeren)
  13. een (goede) neus voor iets hebben (=precies aanvoelen hoe iets moet of gaat)
  14. een goed begin heeft een goed behagen maar het eindje zal de last dragen (=goed beginnen is prima, maar je moet volhouden tot het einde)
  15. een goed begin is het halve werk (=een goed begin vergroot de kans op een goede afwerking)
  16. een goed gelaat is de beste geleidebrief. (=als je knap bent krijg je veel voor elkaar)
  17. een goed hart is goud waard (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
  18. een goed hart toedragen (=goed kunnen verdragen)
  19. een goed mondstuk hebben (=goed kunnen spreken)
  20. een goed paard maakt nog geen goede ruiter. (=niet enkel de middelen tellen, ook de vaardigheid is belangrijk om resultaat te krijgen.)
  21. een goed pad krom loopt niet om. (=je kunt beter geen onnodige veranderingen aanbrengen)
  22. een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  23. een goed woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
  24. een goed zeeman wordt ook wel eens nat (=ieder kent zijn tegenslagen)
  25. een goede beurt geven (=grondig reinigen, grondig aanpakken)
  26. een goede beurt maken (=iets heel goed doen, een goede indruk maken)
  27. een goede buur is beter dan een verre vriend (=een goede buur kan je beter helpen dan een verre vriend)
  28. een goede daad is goud waard (=iemand helpen is goed)
  29. een goede dam leggen. (=goed eten (voor het drinken van alcohol))
  30. een goede gevel versiert het huis. (=gezegd over mensen met een grote neus)
  31. een goede haan kraait nog wel eens weer. (=een goede leider waarschuwt meer dan eens)
  32. een goede naam is beter dan olie (=een goede naam (reputatie) is beter dan veel geld (olie) bezitten)
  33. een goeie vis moet drie keer zwemmen (=in het water, in de boter of kookvocht en in de wijn)
  34. een pater goedleven (=iemand die van het leven geniet)
  35. een slak komt er net zo goed als een kikker. (=iedereen doet dingen in zijn eigen tempo)
  36. een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg (=je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed)
  37. een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  38. eet geen paaseieren op goede vrijdag (=alles op zijn tijd, het feest niet te vroeg vieren)
  39. effen rekening maakt goede vrienden (=of anders: schulden maken vijanden)
  40. eind goed, al goed (=de tegenslagen zijn gauw vergeten als het goed afloopt)
  41. eten is een goed begin: het ene beetje brengt het ander in. (=letterlijke betekenis.)
  42. geen bericht is goed bericht (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  43. geen mens zo gek of hij heeft een goeie trek. (=zelfs vreemde mensen hebben goede eigenschappen)
  44. geen nieuws is goed nieuws (=zolang het goed gaat met iemand is het lang niet zo sensationeel als dat het slecht gaat met iemand)
  45. gestolen goed gedijt niet (=gestolen zaken brengen nooit voordeel)
  46. goed begonnen is half gewonnen (=wat niet aangevangen wordt komt ook nooit af. / Wanneer het begin van iets goed is, is de kans groter dat het goed eindigt)
  47. goed beslagen (=met de nodige kennis en ervaring)
  48. goed bij de tijd zijn (=snugger)
  49. goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst wordt altijd opgemerkt)
  50. goed boeren / goed geboerd hebben (=succesvol geweest zijn, vooral financieel)

318 betekenissen bevatten `goe`

  1. met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen)
  2. met zijn gat in de boter vallen (=(onverwacht) goed terechtkomen)
  3. werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen komen en gaan)
  4. kunnen lezen en schrijven (=al lange tijd goede diensten bewezen hebben)
  5. de derde streng houdt de kabel. (=alle goede dingen bestaan in drieën)
  6. botertje aan de boom zijn / het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  7. ogen van achteren en van voren hebben (=alles goed in de gaten houden)
  8. je ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
  9. in het donker zijn alle katten grijs/grauw (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen)
  10. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  11. mejen kan geen paard al lopende beslaan. (=als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
  12. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  13. waar geen aardappelen gepoot worden, zullen er ook geen groeien (=als je niet een goed begin voor iets legt, zal er ook niets van worden)
  14. geen bericht is goed bericht (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  15. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  16. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  17. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  18. wat men afdingt is het eerst betaald (=als men het goedkoop krijgt, is het vlugger betaald)
  19. oude paarden jaagt men aan de dijk (=als men zijn taak niet goed meer aankan, wordt men ontslagen)
  20. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
  21. keur baart angst. (=bang zijn om niet de goede keuze te maken door een teveel aan opties)
  22. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  23. te goeder naam en faam bekend staan (=bekend staan voor goede dingen)
  24. vis moet (wil) zwemmen (=bij een goede maaltijd hoort een goed glas wijn (bier))
  25. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  26. daar is vlees in de kuip (=daar is het goed)
  27. visnamig (=daar is het goed vissen, er zit daar veel vis)
  28. dat geeft de burger moed (=dat doet goed)
  29. het scheelde maar een haartje (=dat ging maar net goed)
  30. dat is geen geld (=dat is erg goedkoop als je ziet wat je ervoor krijgt)
  31. dat zit wel snor (=dat komt wel goed)
  32. onder de pannen zijn (=de (geld)zaken goed voor elkaar hebben)
  33. goede papieren hebben (=de goede eigenschappen hebben (voor een baan))
  34. in diskrediet brengen (=de goede naam aantasten)
  35. de bokken van de schapen scheiden (=de goeden van de kwaden scheiden)
  36. de rotte appels uit de mand halen (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen)
  37. regen in mei, dan is april voorbij (=de natuur kiest vanzelf de goede volgorde)
  38. met zijn talenten woekeren (=de persoonlijke mogelijkheden/gaven goed gebruiken)
  39. het land van belofte (=de plaats waar het goed toeven is)
  40. eind goed, al goed (=de tegenslagen zijn gauw vergeten als het goed afloopt)
  41. bezint eer ge begint (=denk goed na over de gevolgen voordat je actie onderneemt)
  42. tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunnen samenwerken)
  43. het paard dat de haver verdient krijgt ze niet (=diegene die het goede gedaan heeft, krijgt de beloning niet)
  44. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)
  45. wie schrijft, die blijft. (=documenteer alles goed voor je eigen bestwil)
  46. in goede aarde vallen (=door de ontvanger goed ontvangen worden)
  47. tussen beurs en geweten geplaatst zijn (=een financieel goede - maar misdadige - zaak kunnen doen)
  48. de eerste klap is een daalder waard (=een goed begin is het halve werk)
  49. een goed begin is het halve werk (=een goed begin vergroot de kans op een goede afwerking)
  50. je hemel op aarde verdienen (=een goed en eerlijk leven leiden)

50 dialectgezegden bevatten `goe`

  1. 'k ee d'r geeën goe ooëg' ip (=ik vertrouw het (zaakje) niet) (Waregems)
  2. 'k stell' het goe (=ik maak het goed) (Waregems)
  3. 'k vuul me nie goe (=Ik ben ziek) (Herentals)
  4. 'keb eur is goe gepakt (=ik ben met haar naar bed geweest) (Antwerps)
  5. 't es goe jag, zulle! (=het gaat goed, hoor!) (Harelbeeks)
  6. 't es ol goe da van 't virken komt (=varken) (Waregems)
  7. 't go dor nie goe (=’t gaut dau nie goed (er is daar ruzie, bijvoorbeeld in een gezin, een bedrijf) (Meers)
  8. 't goad-êm goe af (=dat past goed bij hem) (Kaprijks)
  9. 't goë agank zoomre wird'n zijn (=het wordt straks zomer) (Waregems)
  10. 't is e goe menojewuuf (j van Jules) (=die vrouw is goed in het huishouden) (Veurns)
  11. 't is goe doan (=ze komen goed overeen) (Sint-Niklaas)
  12. 't is goe gevoarn (=alles goed verlopen) (Kaprijks)
  13. 't is goe jacht (=het gaat vooruit) (Veurns)
  14. 't is goe marchandieze (='t is goede kwaliteit) (Veurns)
  15. 't legt goe an (=de start is beloftevol) (Waregems)
  16. ‘k ben goe gerèiën (=ik ben bedot) (Meers)
  17. ' k gô mè ies goe schrobberen (=ik ga mij eens heel goed wassen) (Sint-Niklaas)
  18. ' n goe pelle (=een gezonde huidskleur) (Waregems)
  19. ' t giet woatre / / ' t ree (g) nt goe deure (=het regent hard) (Waregems)
  20. A ne ke goe louten betingelen is goe tegent flesoën (=U eens goed laten benetelen is goed tegen de reuma) (Moorsel)
  21. Aa is nog goe baa de zaane (=Hij is nog goed bij zijn verstand) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  22. Aa kan goe de voeës aave (=Hij kan goed de wijs (van liedje) houden) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  23. Aa slaut da nie goë (=Hij draagt er geen zorg voor) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  24. aave klap is goe maar aave sjokolat deegt ni (=je bent ongeloofwaardig) (Booms)
  25. aawe ôtleg is goe maar aawe spikkelaas deegt ni (=u kan het goed uitleggen maar het houdt geen steek) (Booms)
  26. Alles goe in wel (=Alles in orde) (Zelzaats)
  27. as ge da geleuft zijde van e goe joar (=naief zijn) (Leefdaals)
  28. assem het doe, doetem het goe (=als hij iets doet, is het goed gedaan) (Antwerps)
  29. auverluëpe (=polletikkers kènne dâ goe) (Dendermonds)
  30. Aven dieg is goe genoeg moar ave speculoas duegt nie (=Je ideeën zijn goed maar de uitvoering trekt op niets) (Herentals)
  31. azuue kunde ne stront goe maken (=iemand die veel ingrediënten aan zijn eten toevoegt) (Wetters)
  32. bauningk (=goe gezaute) (Dendermonds)
  33. beguin'n te dooln, nie goe mieër wijs zijn, niemer weet'n hoe dat 't skeeët (=beginnen te dementeren) (Waregems)
  34. braa goe (=zeer lekker) (Waanroods)
  35. Da gaot d'r goe in! (=Dat is lekker!) (brabants)
  36. da goa goe t' huupe (=dat past goed bij elkaar) (Lovendegems)
  37. da goa goe thuupe (=dat past goed bij elkaar) (Gents)
  38. da goa goe tiuëbe (=dat past goed bij mekaar) (Kaprijks)
  39. Da hedde gij goe begaojd (=Dat heb je goed verprutst) (Bredaas)
  40. da kom goe fa pas (=dat kan ik goed gebruiken) (Sint-Niklaas)
  41. Da mutte goë slauge (=Daar moet je zorg voor dragen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  42. Da vain'k nie goe dao ge doa doe! (=Dat vind ik niet goed dat je dat doet!) (Betuws)
  43. de goe goan en de slechte blijvn (=zoals de klompen aan de deur) (Knesselaars)
  44. De polis stelt na een onderziek in eomda ze 't goe megeloëk vinge data geld me krimineel zokes te moken heet (=De politie stelt een onderzoek in, omdat zij het niet onwaarschijnlijk acht dat het geld te maken heeft met een criminele activiteit) (Holsbeeks)
  45. dei es goe verzien van oeëre en poeëte (=vrouw met een mooi lichaam) (Winksels)
  46. dei ès goe verzien van ôërn en ¨pôëtn (=over een volslanke dame :) (Asses)
  47. den deesn bolt goe (=deze loopt soepel (auto, fiets, kruiwagen) ) (Waregems)
  48. den doktoor éé me goe gevisiteerd (=de dokter heeft mij goed onderzocht) (Sint-Niklaas)
  49. der goe zijn kluuten oan vegen (=aan alles zijn voeten vegen) (Gents)
  50. die heeft goe in mijn rapen gescheten (=die heeft bij mij afgedaan) (Hoogstraats)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen