11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `gie`
- balsem in de wonde gieten (=het leed verzachten)
- de aardappelen afgieten (=een plasje doen door heren)
- de patatten afgieten. (=urineren)
- een blinde passagier hebben. (=in verwachting zijn)
- gierigheid is de wortel van alle kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
- ieder oortje brengt zijn gierigheid. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn (een oortje is een oude munteenheid))
- iedere stuiver brengt zijn gierigheid mee. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn)
- in een andere vorm gieten (=anders voorstellen)
- in het vat gieten (=aanleggen)
- olie op de golven gieten/gooien (=de gemoederen kalmeren)
- weten hoe men dat in het vat zal gieten (=de oplossing weten)
13 betekenissen bevatten `gie`
- dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
- gierigheid is de wortel van alle kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
- een krent (=een gierig persoon)
- op iets dood blijven (=erg belust op iets zijn (bv geld; gierig))
- een oortje in vieren zouden bijten (=erg gierig zijn)
- iemand het hemd van het lijf vragen (=erg nieuwsgierig zijn en alles van iemand proberen te vragen)
- je ogen uitkijken (=erg verbaasd of nieuwsgierig staan kijken)
- je kruit droog houden (=geen onnodige acties ondernemen of energie verspillen.)
- van de houvast zijn (=gierig of mager zijn)
- op de penning zijn (=gierig zijn)
- van de kleef zijn (=gierig zijn)
- wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
- aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
42 dialectgezegden bevatten `gie`
- `t is ene gie 'edoe'ed. (=Dat is een gluipert.) (Nuths)
- 'k rapent op, je rap het gie op, e rap het ie op, me rapent wieder op, je rap het gieder op, ze rapent zieder op (=het oprapen) (Veurns)
- 'T is hêêl gie (=Het gelijkt op u) (Gistels)
- Da gie nè (=Dat gaat niet) (Herks)
- dië ka gie vèirken tegenougen (=o-benen, wordt gezegd over iemand met O-benen (het varken zou er tussenglippen)) (Meers)
- éje gie dad oke (=heb je dat ook) (Bachten de kupes)
- et gie nemee (S*) of et marsjeirt nemee (S*) (=het werkt niet meer) (Sintrùins)
- Ge goat gie minnen dag nie indjiln (=Ik zal dat zelf wel beslissen) (Harelbeeks)
- ge zi gie zekerst zot! (=Ik ben van mening dat hetgene u vertelt nonsens is.) (Lauws)
- ge zi wok t skerpste mes nie uit t skof é gie (=uw inteligentiepeil voldoet niet aan de vereisten) (West-vlaams)
- ge zie zeekre up je ne kop gevoln, ge zie gie zeekre zot (=ben je gek) (Kortemarks)
- Ge zút gie van 't goejòar (=Jij bent niet goed wijs) (Harelbeeks)
- Gèft de stoefer 'n broed, de kloager ei gië noed (=Geef de bluffer een brood, de klager heeft geen nood) (Hals)
- Geift de stoefer e stuk bruud de klaoger kan gie nuut (=geef de bluffer wat brood, de klager kent geen nood) (Lembeeks)
- gie moet je mulle odn (=je moet zwijgen) (West-Vlaams)
- gie zie laat' up droai! (=u bent laat op stap!) (Ostêns)
- gië zittend gat emmen (=rusteloos zijn) (Meers)
- goj gie mee (=ga je ook mee) (Veurns)
- het kan gie kwoad (=het is niet erg) (Heusdens)
- hij kreeg gie poot ann 'e grond (=hij kon niets beginnen) (Westerkwartiers)
- ij / zij nee no gie struut verleid (=hij / zij heeft nog niets gedaan) (Zottegems)
- Ik ê gie ânde mâir (=Mijn handen zijn vol) (Volendams)
- ik en gie (=jij en ik) (Veurns)
- In gie goe vel zitten (=De gezondheid is niet goed.) (Bevers)
- je moe gie do je stert nie gon roeren (=gij moet u daar niet gaan moeien) (Veurns)
- Je zie gie zeker Grootn Dustens zeune (=Je bent een heel dorstig iemand) (Ostêns)
- kuj gie dadde (=kan je dat) (Veurns)
- lik gie (=zoals jij) (Veurns)
- Meug je gie dadde (=Lust jij dat) (Harelbeeks)
- od ne kié je meulle gie (=Hou eens je mond) (Tielts)
- oj gie (=als je) (Veurns)
- tis topn dat smakt in die vulle mulle van gie (=smakelijk) (West-vlaams)
- vèrken: Nog gië vèrken kénn'n tegenagen (=O-benen hebben) (Lebbeeks)
- Wa Vwur iën zeje gie eigenlyk (=Hoe slecht van karaker ben ji eigenlijk) (Harelbeeks)
- wiene doej gie (=wat doe je) (Veurns)
- wiene doej gie nu (=wat doe je nu) (Veurns)
- wo ziej gie (=waar ben je) (Veurns)
- wuk steek je gie daor uut (=wat doe je daar) (Kortemarks)
- zie j' gie e vieze kwiet (=ben je gek) (Bachten de kupes)
- zieje gie van bachten de kupe? (=zijt gij achterlijk?) (Bachten de kupes)
- zjuust ik en gie (=alleen jij en ik) (Brugs)
- Zot zaan doe giê ziêr maar tjukt een bekke (=Gek zijn doet geen pijn maar) (Sint-Katelijne-Waver)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen