Spreekwoorden met `gie`

Zoek

11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `gie`

  1. balsem in de wonde gieten (=het leed verzachten)
  2. de aardappelen afgieten (=een plasje doen door heren)
  3. de patatten afgieten. (=urineren)
  4. een blinde passagier hebben. (=in verwachting zijn)
  5. gierigheid is de wortel van alle kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
  6. ieder oortje brengt zijn gierigheid. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn (een oortje is een oude munteenheid))
  7. iedere stuiver brengt zijn gierigheid mee. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn)
  8. in een andere vorm gieten (=anders voorstellen)
  9. in het vat gieten (=aanleggen)
  10. olie op de golven gieten/gooien (=de gemoederen kalmeren)
  11. weten hoe men dat in het vat zal gieten (=de oplossing weten)

13 betekenissen bevatten `gie`

  1. dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
  2. gierigheid is de wortel van alle kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
  3. een krent (=een gierig persoon)
  4. op iets dood blijven (=erg belust op iets zijn (bv geld; gierig))
  5. een oortje in vieren zouden bijten (=erg gierig zijn)
  6. iemand het hemd van het lijf vragen (=erg nieuwsgierig zijn en alles van iemand proberen te vragen)
  7. je ogen uitkijken (=erg verbaasd of nieuwsgierig staan kijken)
  8. je kruit droog houden (=geen onnodige acties ondernemen of energie verspillen.)
  9. van de houvast zijn (=gierig of mager zijn)
  10. op de penning zijn (=gierig zijn)
  11. van de kleef zijn (=gierig zijn)
  12. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
  13. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)

42 dialectgezegden bevatten `gie`

  1. `t is ene gie 'edoe'ed. (=Dat is een gluipert.) (Nuths)
  2. 'k rapent op, je rap het gie op, e rap het ie op, me rapent wieder op, je rap het gieder op, ze rapent zieder op (=het oprapen) (Veurns)
  3. 'T is hêêl gie (=Het gelijkt op u) (Gistels)
  4. Da gie(=Dat gaat niet) (Herks)
  5. dië ka gie vèirken tegenougen (=o-benen, wordt gezegd over iemand met O-benen (het varken zou er tussenglippen)) (Meers)
  6. éje gie dad oke (=heb je dat ook) (Bachten de kupes)
  7. et gie nemee (S*) of et marsjeirt nemee (S*) (=het werkt niet meer) (Sintrùins)
  8. Ge goat gie minnen dag nie indjiln (=Ik zal dat zelf wel beslissen) (Harelbeeks)
  9. ge zi gie zekerst zot! (=Ik ben van mening dat hetgene u vertelt nonsens is.) (Lauws)
  10. ge zi wok t skerpste mes nie uit t skof é gie (=uw inteligentiepeil voldoet niet aan de vereisten) (West-vlaams)
  11. ge zie zeekre up je ne kop gevoln, ge zie gie zeekre zot (=ben je gek) (Kortemarks)
  12. Ge zút gie van 't goejòar (=Jij bent niet goed wijs) (Harelbeeks)
  13. Gèft de stoefer 'n broed, de kloager ei gië noed (=Geef de bluffer een brood, de klager heeft geen nood) (Hals)
  14. Geift de stoefer e stuk bruud de klaoger kan gie nuut (=geef de bluffer wat brood, de klager kent geen nood) (Lembeeks)
  15. gie moet je mulle odn (=je moet zwijgen) (West-Vlaams)
  16. gie zie laat' up droai! (=u bent laat op stap!) (Ostêns)
  17. gië zittend gat emmen (=rusteloos zijn) (Meers)
  18. goj gie mee (=ga je ook mee) (Veurns)
  19. het kan gie kwoad (=het is niet erg) (Heusdens)
  20. hij kreeg gie poot ann 'e grond (=hij kon niets beginnen) (Westerkwartiers)
  21. ij / zij nee no gie struut verleid (=hij / zij heeft nog niets gedaan) (Zottegems)
  22. Ik ê gie ânde mâir (=Mijn handen zijn vol) (Volendams)
  23. ik en gie (=jij en ik) (Veurns)
  24. In gie goe vel zitten (=De gezondheid is niet goed.) (Bevers)
  25. je moe gie do je stert nie gon roeren (=gij moet u daar niet gaan moeien) (Veurns)
  26. Je zie gie zeker Grootn Dustens zeune (=Je bent een heel dorstig iemand) (Ostêns)
  27. kuj gie dadde (=kan je dat) (Veurns)
  28. lik gie (=zoals jij) (Veurns)
  29. Meug je gie dadde (=Lust jij dat) (Harelbeeks)
  30. od ne kié je meulle gie (=Hou eens je mond) (Tielts)
  31. oj gie (=als je) (Veurns)
  32. tis topn dat smakt in die vulle mulle van gie (=smakelijk) (West-vlaams)
  33. vèrken: Nog gië vèrken kénn'n tegenagen (=O-benen hebben) (Lebbeeks)
  34. Wa Vwur iën zeje gie eigenlyk (=Hoe slecht van karaker ben ji eigenlijk) (Harelbeeks)
  35. wiene doej gie (=wat doe je) (Veurns)
  36. wiene doej gie nu (=wat doe je nu) (Veurns)
  37. wo ziej gie (=waar ben je) (Veurns)
  38. wuk steek je gie daor uut (=wat doe je daar) (Kortemarks)
  39. zie j' gie e vieze kwiet (=ben je gek) (Bachten de kupes)
  40. zieje gie van bachten de kupe? (=zijt gij achterlijk?) (Bachten de kupes)
  41. zjuust ik en gie (=alleen jij en ik) (Brugs)
  42. Zot zaan doe giê ziêr maar tjukt een bekke (=Gek zijn doet geen pijn maar) (Sint-Katelijne-Waver)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen