36 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `erm`
- achter de schermen (=daar waar men het niet ziet)
- achter de schermen blijven (=geen bekendheid ergens mee willen krijgen terwijl diegene het wel bedacht heeft)
- achter de schermen kijken (=kijken waar men normaal niet kan of mag kijken)
- achterom is kermis (=gezegd als voorlangs niet de voorkeur heeft)
- allemans vriend is iedermans nar (=je kan niet voor iedereen goed doen)
- als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen (=als twee mensen ruzie maken, profiteert een derde ervan.)
- andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
- andermans veren (=iets van een ander (andermans eer))
- beter ermee verlegen dan erom verlegen (=liever van iets te veel dan van iets te weinig hebben)
- de breedste riemen worden uit andermans leer gesneden (=het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over wat een ander toebehoort)
- de vermoorde onschuld spelen (=net doen alsof je van niets weet)
- een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
- een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met woorden)
- ervaring is de beste leermeester (=van datgene dat je zelf hebt meegemaakt leer je het meeste)
- het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
- het is beter een andermans hemd dan geen (=wat men niet heeft kan men desnoods nog altijd lenen)
- het is goed riemen snijden uit andermans leer (=met andermans eigendom kan men gemakkelijk kwistig omgaan)
- het is kermis in de hel (=het regent terwijl de zon schijnt)
- het is licht dansen op andermans vloer. (=geld van anderen uitgeven is makkelijk.)
- het is niet altijd kermis. (=je kunt niet altijd feestvieren.)
- iets met de moedermelk binnenkrijgen (=iets leren in de eerste levensjaren)
- in andermans weide lopen de vetste koeien. (=bij een ander lijkt het altijd beter)
- in de termen vallen (=ergens in aanmerking voor komen)
- je neus in andermans zaken steken (=zich bemoeien met zaken die je niet aangaan)
- magerman is in die keuken kok (=het is er armoe troef)
- met andermans kalf ploegen (=terwijl je de hulp van een ander gebruikt, doen alsof je het zelf alleen gedaan hebt)
- met andermans veren pronken (=weglopen met de ideeën van een ander, met iets van een ander zelf gaan pronken)
- met de moedermelk ingezogen hebben (=van jongs af zo geleerd hebben)
- ondervinding is de beste leermeester (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
- rijd voort voerman maar zie om (=doe verder maar blijf wel opletten)
- terminus ad quem (=eindpunt van de tijdsberekening) (Latijn)
- van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
- voor de draad ermee (=kom tot de kern van het verhaal.)
- waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
- wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
- wie met pek omgaat, wordt ermee besmet (=wie met slechte mensen omgaat neemt de gewoontes van die mensen over)
60 betekenissen bevatten `erm`
- aan de fep zijn (=(overmatig) drinken)
- hoogmoed deed nooit iemand goed. (=arrogantie en overmoed zijn slechte eigenschappen)
- onder dak zijn (=bescherming genieten - behoren bij)
- op je laatste benen lopen (=bijna niet meer kunnen van vermoeidheid)
- de kraan dichtdraaien (=de (financiële) hulp sterk verminderen of stopzetten)
- het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
- de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
- tegen de dood is geen kruid gewassen. (=doodgaan is onvermijdelijk)
- Pietje de dood maait altijd. (=doodgaan is onvermijdelijk)
- met een rode letter aangetekend staan (=duidelijk vermeld , zodanig dat het zeker niet vergeten wordt)
- een ridder van de el (=een kleermaker)
- conditio sine qua non (=een onvermijdelijke voorwaarde)
- er een streep onder zetten (=er een eind aan maken, ermee stoppen)
- iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden)
- lont ruiken (=ergens het vermoeden toe hebben / het gevaar tijdig aanvoelen)
- aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in raken, ermee bezig blijven)
- voor de schenen/voeten werpen (=ermee confronteren)
- aan zijn broek krijgen (=ermee opgescheept worden)
- er de kat insteken (=ermee ophouden)
- aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
- de boel erbij neergooien (=ermee stoppen)
- het bijltje erbij neerleggen (=ermee stoppen)
- de boeken sluiten (=ermee stoppen - bankroet gaan)
- mooi weer spelen (=genieten (meestal van andermans goed) / mooier voordoen dan het is)
- aardewerk is geen paardenwerk. (=graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
- wie wat bewaart, die heeft wat (=het bewaren van zaken kan op lange termijn voordelig blijken te zijn)
- niemand genoemd, niemand gelasterd. (=het vermijden van het noemen van namen voorkomt onnodige ruzie)
- wie een kluitje heeft, heeft er graag een turfje bij (=ieder probeert zijn bezittingen te vermeerderen)
- iemand onder zijn vleugels nemen (=iemand beschermen of verzorgen)
- iemand een pen op de neus zetten (=iemand dreigend vermanen)
- iemand de hand boven het hoofd houden (=iemand in bescherming nemen)
- iemand of iets de baas zijn (=iemand of iets kunnen overmeesteren)
- iemand een kopje kleiner maken (=iemand vermoorden)
- iets op zijn beloop laten (=iets gewoon maar verder laten gaan zonder dat je je ermee bemoeit, zonder dat je ingrijpt)
- andermans veren (=iets van een ander (andermans eer))
- met iets op de proppen komen (=iets vertellen, ermee voor de dag komen)
- als ik ze niet hoef te hoeden laat ik de ganzen ganzen zijn (=ik bemoei me niet met andermans zaken als het niet hoeft)
- geen haar op mijn hoofd die er aan denkt (=ik wil hiermee niet akkoord gaan)
- als buurmans huis brand is het tijd om uit te zien. (=leer van andermans problemen)
- de huik naar de wind hangen (=meeheulen - altijd andermans standpunt volgen)
- een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen. (=men is geneigd andermans spullen te misbruiken)
- het is goed riemen snijden uit andermans leer (=met andermans eigendom kan men gemakkelijk kwistig omgaan)
- op iemands schouders staan (=op andermans werk voortbouwen)
- tussen de klippen doorzeilen (=op handige manier alle moeilijkheden vermijden)
- iemand naar de keel vliegen (=op iemand erg kwaad worden, aanvallen, ermee vechten)
- zweten als een aandrager (=overmatig zweten)
- een snijder heeft maar een darm. (=spotternij van boeren, die veel meer eten dan de kleermaker.)
- de pijp aan maarten geven (=sterven, ermee ophouden)
- snoeien doet bloeien. (=tijdelijke opofferingen zijn nodig om op de lange termijn te kunnen gedijen en bloeien)
- spijkers op laag water zoeken (=uitermate achterdochtig zijn, onprettige opmerkingen maken over onbelangrijke zaken)
50 dialectgezegden bevatten `erm`
- 't es een erm skeupsel (='t is een arme sukkelaar) (Walshoutems)
- as se mer erm laefs, kins se riek sterve (=veel sparen) (Heitsers)
- Da hat de erm ziël rów (=Dan hoeven we daarover al geen ruzie meer maken,) (Mechels (NL))
- daaj hèt dikke knoebële onder hër êrm (=dat is een luie trien) (Munsterbilzen - Minsters)
- daaj hèt dikke knoebële onder hër erm (=ze is lui!) (Munsterbilzen - Minsters)
- daaj hèttët zwiël onder hër erm (=ze is lui (want heeft eelt onder haar armen)) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae ès zoe erm assen laus (=hij is heel arm) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae hèt knoebbe (le) onder zen erm (=hij ios lui) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae hèt knoebele onder zën érm (=hij is te lui om te werken) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae hèttët zwiël onder zën érm (=hij is wat lui) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae kraajg ët zwiël onder zën érm van de sjöppëstiël (=hij rust de ganse dag op zijn schup, doet geen klap) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae löptj mèt de zeel ónger de erm (=hij weet zich geen raad meer) (Heitsers)
- dao krieste erm zin van. (=daar wordt je mistroostig van) (Steins)
- das vër érm zin van te krijge (=dat is om een inzinking van te krijgen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de erm lotten hange (=demoedlaten zakken) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dé snapt unne boer mee ééne érm (=Dat is zeer eenvoudig) (Tilburgs)
- doë ès gee vrooke zoe erm of ze mok mèt lichmës hër pennëke werm (=op 2 februari, olv-lichtmis, is het traditie om pannenkoeken te bakken) (Munsterbilzen - Minsters)
- doë ès niks zoe erg as erm te laeve en sjatrijk daud te gon (=ik vind niets erger dan iemand die vrekkig is) (Bilzers)
- doë kraajgech érm zin van (=daar krijg ik het van op mijn heupen) (Bilzers)
- doë kraajgste erm zin van (=daar wordt je niet goed van) (Munsterbilzen - Minsters)
- doeë kraajg ich erm zin van (=dat steekt me hard tegen) (Munsterbilzen - Minsters)
- doeë zin draaj vërsjillende soeëte erm minsterkliete, daat wo goed konne tëlle en daaj wo nie goed konne tëlle (=zelfs de lompste koe van Munster kan in de pantencommerce) (Munsterbilzen - Minsters)
- een erm sloor (=een arme vrouw) (Turnhouts)
- en erm sjoeëp wieëd ook gesjoeëre onder zëne stat (=ook arme mensen hebben recht op onderhoud) (Munsterbilzen - Minsters)
- ën erm sjoëp wiëd ook gesjoëre onder zëne stat (=noem mij maar en arm schaap, dat wordt immers ook op tijd verzorgd) (Munsterbilzen - Minsters)
- ën érm sjoëp wiët ook gesjoëre onder zëne stat (=iedereen heeft recht op goede zorgen) (Munsterbilzen - Minsters)
- ën êrm sjoëp wiët ook gesjoëre onder zëne stat (=uiteindelijk schijnt de zon voor iedereen) (Munsterbilzen - Minsters)
- erm laeve en rijk daud gon (=leven als een vrek en rijk sterven) (Munsterbilzen - Minsters)
- erm laeven en riêk sterven (=Een vrek sterft rijk) (Sevenums)
- erm luis (=arme mens) (Wolvertems)
- erm maa Proper (=Arm maar Proper) (Sint-Katelijne-Waver)
- erm minse gaeve dèk veul riekdóm aaf! (=Arme mensen geven vaak veel rijkdom af!) (Kinroois)
- erm minse kriege neet dök geliek (=arme mensen krijgen zelden gelijk) (Heitsers)
- erm toffel, rijk béd (=armen hebben gewoonlijk veel kinderen) (Munsterbilzen - Minsters)
- èrm zin hëbbe (=somber gestemd zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- erm zin hëbbe (=somber gestemd zijn, geen goesting hebben aan iets) (Munsterbilzen - Minsters)
- erm zin hèbbe (=Somber gestemd) (Genneps)
- erm zin ter van krijge (=er mismoedig van worden) (Bilzers)
- ge zet een erm schoap (=gij zijt een arm schaap) (Heusdens)
- gee vroo zoe erm of ze mok hër pennëke werm (=een pannenkoekje kan er altijd af) (Munsterbilzen - Minsters)
- Hae is erm es de sjtraot. (=Hij is straatarm.) (Roermonds)
- Hae is zoo erm wie ein kirkloes (=Zo arm als Job) (Sittards)
- ich kraajg êrm zin van dich (=ik ga eraan kapot als je zo blijft zeuren) (Munsterbilzen - Minsters)
- Ich mòt mich efkes die buussele ònger de erm laote dreuge. (=Ik moet even een frisse neus halen) (Roermonds)
- ich verdeel al me geld onder de erm : de hëlf onner de linkse en daander hëlf onder de raechtererm... (=de rijkdom in de wereld is slecht verdeeld) (Munsterbilzen - Minsters)
- knoebële onder zën erm hëbbe (=niet graag werken) (Munsterbilzen - Minsters)
- liever aad mér rijk dan joenk en erm (=als je jong bent moet je hard werlen om het later goed te hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- lueëter iggen erm (=weinig spierkracht) (Heerlens)
- mee nun krommen erm binnenkomme (speciaal bij een kraamvisite) (=Een cadeautje bijhebben) (Valkenswaards)
- men erm kènd (kindsje) toch (=ocharme) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen