Spreekwoorden met `erm`

Zoek

36 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `erm`

  1. achter de schermen (=daar waar men het niet ziet)
  2. achter de schermen blijven (=geen bekendheid ergens mee willen krijgen terwijl diegene het wel bedacht heeft)
  3. achter de schermen kijken (=kijken waar men normaal niet kan of mag kijken)
  4. achterom is kermis (=gezegd als voorlangs niet de voorkeur heeft)
  5. allemans vriend is iedermans nar (=je kan niet voor iedereen goed doen)
  6. als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen (=als twee mensen ruzie maken, profiteert een derde ervan.)
  7. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  8. andermans veren (=iets van een ander (andermans eer))
  9. beter ermee verlegen dan erom verlegen (=liever van iets te veel dan van iets te weinig hebben)
  10. de breedste riemen worden uit andermans leer gesneden (=het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over wat een ander toebehoort)
  11. de vermoorde onschuld spelen (=net doen alsof je van niets weet)
  12. een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
  13. een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met woorden)
  14. ervaring is de beste leermeester (=van datgene dat je zelf hebt meegemaakt leer je het meeste)
  15. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  16. het is beter een andermans hemd dan geen (=wat men niet heeft kan men desnoods nog altijd lenen)
  17. het is goed riemen snijden uit andermans leer (=met andermans eigendom kan men gemakkelijk kwistig omgaan)
  18. het is kermis in de hel (=het regent terwijl de zon schijnt)
  19. het is licht dansen op andermans vloer. (=geld van anderen uitgeven is makkelijk.)
  20. het is niet altijd kermis. (=je kunt niet altijd feestvieren.)
  21. iets met de moedermelk binnenkrijgen (=iets leren in de eerste levensjaren)
  22. in andermans weide lopen de vetste koeien. (=bij een ander lijkt het altijd beter)
  23. in de termen vallen (=ergens in aanmerking voor komen)
  24. je neus in andermans zaken steken (=zich bemoeien met zaken die je niet aangaan)
  25. magerman is in die keuken kok (=het is er armoe troef)
  26. met andermans kalf ploegen (=terwijl je de hulp van een ander gebruikt, doen alsof je het zelf alleen gedaan hebt)
  27. met andermans veren pronken (=weglopen met de ideeën van een ander, met iets van een ander zelf gaan pronken)
  28. met de moedermelk ingezogen hebben (=van jongs af zo geleerd hebben)
  29. ondervinding is de beste leermeester (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
  30. rijd voort voerman maar zie om (=doe verder maar blijf wel opletten)
  31. terminus ad quem (=eindpunt van de tijdsberekening) (Latijn)
  32. van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  33. voor de draad ermee (=kom tot de kern van het verhaal.)
  34. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  35. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  36. wie met pek omgaat, wordt ermee besmet (=wie met slechte mensen omgaat neemt de gewoontes van die mensen over)

60 betekenissen bevatten `erm`

  1. aan de fep zijn (=(overmatig) drinken)
  2. hoogmoed deed nooit iemand goed. (=arrogantie en overmoed zijn slechte eigenschappen)
  3. onder dak zijn (=bescherming genieten - behoren bij)
  4. op je laatste benen lopen (=bijna niet meer kunnen van vermoeidheid)
  5. de kraan dichtdraaien (=de (financiële) hulp sterk verminderen of stopzetten)
  6. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  7. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  8. tegen de dood is geen kruid gewassen. (=doodgaan is onvermijdelijk)
  9. Pietje de dood maait altijd. (=doodgaan is onvermijdelijk)
  10. met een rode letter aangetekend staan (=duidelijk vermeld , zodanig dat het zeker niet vergeten wordt)
  11. een ridder van de el (=een kleermaker)
  12. conditio sine qua non (=een onvermijdelijke voorwaarde)
  13. er een streep onder zetten (=er een eind aan maken, ermee stoppen)
  14. iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden)
  15. lont ruiken (=ergens het vermoeden toe hebben / het gevaar tijdig aanvoelen)
  16. aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in raken, ermee bezig blijven)
  17. voor de schenen/voeten werpen (=ermee confronteren)
  18. aan zijn broek krijgen (=ermee opgescheept worden)
  19. er de kat insteken (=ermee ophouden)
  20. aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
  21. de boel erbij neergooien (=ermee stoppen)
  22. het bijltje erbij neerleggen (=ermee stoppen)
  23. de boeken sluiten (=ermee stoppen - bankroet gaan)
  24. mooi weer spelen (=genieten (meestal van andermans goed) / mooier voordoen dan het is)
  25. aardewerk is geen paardenwerk. (=graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  26. wie wat bewaart, die heeft wat (=het bewaren van zaken kan op lange termijn voordelig blijken te zijn)
  27. niemand genoemd, niemand gelasterd. (=het vermijden van het noemen van namen voorkomt onnodige ruzie)
  28. wie een kluitje heeft, heeft  er graag een turfje bij (=ieder probeert zijn bezittingen te vermeerderen)
  29. iemand onder zijn vleugels nemen (=iemand beschermen of verzorgen)
  30. iemand een pen op de neus zetten (=iemand dreigend vermanen)
  31. iemand de hand boven het hoofd houden (=iemand in bescherming nemen)
  32. iemand of iets de baas zijn (=iemand of iets kunnen overmeesteren)
  33. iemand een kopje kleiner maken (=iemand vermoorden)
  34. iets op zijn beloop laten (=iets gewoon maar verder laten gaan zonder dat je je ermee bemoeit, zonder dat je ingrijpt)
  35. andermans veren (=iets van een ander (andermans eer))
  36. met iets op de proppen komen (=iets vertellen, ermee voor de dag komen)
  37. als ik ze niet hoef te hoeden laat ik de ganzen ganzen zijn (=ik bemoei me niet met andermans zaken als het niet hoeft)
  38. geen haar op mijn hoofd die er aan denkt (=ik wil hiermee niet akkoord gaan)
  39. als buurmans huis brand is het tijd om uit te zien. (=leer van andermans problemen)
  40. de huik naar de wind hangen (=meeheulen - altijd andermans standpunt volgen)
  41. een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen. (=men is geneigd andermans spullen te misbruiken)
  42. het is goed riemen snijden uit andermans leer (=met andermans eigendom kan men gemakkelijk kwistig omgaan)
  43. op iemands schouders staan (=op andermans werk voortbouwen)
  44. tussen de klippen doorzeilen (=op handige manier alle moeilijkheden vermijden)
  45. iemand naar de keel vliegen (=op iemand erg kwaad worden, aanvallen, ermee vechten)
  46. zweten als een aandrager (=overmatig zweten)
  47. een snijder heeft maar een darm. (=spotternij van boeren, die veel meer eten dan de kleermaker.)
  48. de pijp aan maarten geven (=sterven, ermee ophouden)
  49. snoeien doet bloeien. (=tijdelijke opofferingen zijn nodig om op de lange termijn te kunnen gedijen en bloeien)
  50. spijkers op laag water zoeken (=uitermate achterdochtig zijn, onprettige opmerkingen maken over onbelangrijke zaken)

50 dialectgezegden bevatten `erm`

  1. 't es een erm skeupsel (='t is een arme sukkelaar) (Walshoutems)
  2. as se mer erm laefs, kins se riek sterve (=veel sparen) (Heitsers)
  3. Da hat de erm ziël rów (=Dan hoeven we daarover al geen ruzie meer maken,) (Mechels (NL))
  4. daaj hèt dikke knoebële onder hër êrm (=dat is een luie trien) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. daaj hèt dikke knoebële onder hër erm (=ze is lui!) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. daaj hèttët zwiël onder hër erm (=ze is lui (want heeft eelt onder haar armen)) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. dae ès zoe erm assen laus (=hij is heel arm) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. dae hèt knoebbe (le) onder zen erm (=hij ios lui) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. dae hèt knoebele onder zën érm (=hij is te lui om te werken) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. dae hèttët zwiël onder zën érm (=hij is wat lui) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. dae kraajg ët zwiël onder zën érm van de sjöppëstiël (=hij rust de ganse dag op zijn schup, doet geen klap) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. dae löptj mèt de zeel ónger de erm (=hij weet zich geen raad meer) (Heitsers)
  13. dao krieste erm zin van. (=daar wordt je mistroostig van) (Steins)
  14. das vër érm zin van te krijge (=dat is om een inzinking van te krijgen) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. de erm lotten hange (=demoedlaten zakken) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. Dé snapt unne boer mee ééne érm (=Dat is zeer eenvoudig) (Tilburgs)
  17. doë ès gee vrooke zoe erm of ze mok mèt lichmës hër pennëke werm (=op 2 februari, olv-lichtmis, is het traditie om pannenkoeken te bakken) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. doë ès niks zoe erg as erm te laeve en sjatrijk daud te gon (=ik vind niets erger dan iemand die vrekkig is) (Bilzers)
  19. doë kraajgech érm zin van (=daar krijg ik het van op mijn heupen) (Bilzers)
  20. doë kraajgste erm zin van (=daar wordt je niet goed van) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. doeë kraajg ich erm zin van (=dat steekt me hard tegen) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. doeë zin draaj vërsjillende soeëte erm minsterkliete, daat wo goed konne tëlle en daaj wo nie goed konne tëlle (=zelfs de lompste koe van Munster kan in de pantencommerce) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. een erm sloor (=een arme vrouw) (Turnhouts)
  24. en erm sjoeëp wieëd ook gesjoeëre onder zëne stat (=ook arme mensen hebben recht op onderhoud) (Munsterbilzen - Minsters)
  25. ën erm sjoëp wiëd ook gesjoëre onder zëne stat (=noem mij maar en arm schaap, dat wordt immers ook op tijd verzorgd) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. ën érm sjoëp wiët ook gesjoëre onder zëne stat (=iedereen heeft recht op goede zorgen) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. ën êrm sjoëp wiët ook gesjoëre onder zëne stat (=uiteindelijk schijnt de zon voor iedereen) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. erm laeve en rijk daud gon (=leven als een vrek en rijk sterven) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. erm laeven en riêk sterven (=Een vrek sterft rijk) (Sevenums)
  30. erm luis (=arme mens) (Wolvertems)
  31. erm maa Proper (=Arm maar Proper) (Sint-Katelijne-Waver)
  32. erm minse gaeve dèk veul riekdóm aaf! (=Arme mensen geven vaak veel rijkdom af!) (Kinroois)
  33. erm minse kriege neet dök geliek (=arme mensen krijgen zelden gelijk) (Heitsers)
  34. erm toffel, rijk béd (=armen hebben gewoonlijk veel kinderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. èrm zin hëbbe (=somber gestemd zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. erm zin hëbbe (=somber gestemd zijn, geen goesting hebben aan iets) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. erm zin hèbbe (=Somber gestemd) (Genneps)
  38. erm zin ter van krijge (=er mismoedig van worden) (Bilzers)
  39. ge zet een erm schoap (=gij zijt een arm schaap) (Heusdens)
  40. gee vroo zoe erm of ze mok hër pennëke werm (=een pannenkoekje kan er altijd af) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. Hae is erm es de sjtraot. (=Hij is straatarm.) (Roermonds)
  42. Hae is zoo erm wie ein kirkloes (=Zo arm als Job) (Sittards)
  43. ich kraajg êrm zin van dich (=ik ga eraan kapot als je zo blijft zeuren) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. Ich mòt mich efkes die buussele ònger de erm laote dreuge. (=Ik moet even een frisse neus halen) (Roermonds)
  45. ich verdeel al me geld onder de erm : de hëlf onner de linkse en daander hëlf onder de raechtererm... (=de rijkdom in de wereld is slecht verdeeld) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. knoebële onder zën erm hëbbe (=niet graag werken) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. liever aad mér rijk dan joenk en erm (=als je jong bent moet je hard werlen om het later goed te hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. lueëter iggen erm (=weinig spierkracht) (Heerlens)
  49. mee nun krommen erm binnenkomme (speciaal bij een kraamvisite) (=Een cadeautje bijhebben) (Valkenswaards)
  50. men erm kènd (kindsje) toch (=ocharme) (Munsterbilzen - Minsters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen