Spreekwoorden met `dee`

Zoek

17 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `dee`

  1. commandeer je hond en blaf zelf (=dat bevel weiger ik uit te voeren)
  2. de wereld is een schouwtoneel elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  3. een koekje van eigen deeg (=iets geven (of krijgen) wat oorspronkelijk bedacht is door degene die het krijgt (of geeft))
  4. een leven als een oordeel (=een verschrikkelijk lawaai)
  5. een Salomonsoordeel vellen (=met een heel vraagstuk een zeer wijze en goede beslissing nemen)
  6. er part noch deel aan hebben (=er niets van weten of niet aan deelgenomen hebben)
  7. er wordt een erfenis verdeeld. (=gezegd als iets erg lang duurt)
  8. gedeeld geheim, verloren geheim. (=als je een geheim doorvertelt is het geen geheim meer)
  9. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  10. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
  11. het is een Spaans bordeel. (=het is een chaotische wanorde)
  12. het leeuwendeel van iets krijgen (=het grootste aandeel van iets krijgen)
  13. hoogmoed deed nooit iemand goed. (=arrogantie en overmoed zijn slechte eigenschappen)
  14. iemand het voordeel van de twijfel gunnen (=een onzekere factor voor hem zo gunstig mogelijk laten meetellen)
  15. ruim zijn aandeel in `s werelds lief en leed gehad hebben (=genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)
  16. wat het oog niet ziet, wat het hart niet deert (=wat je niet ziet en niet weet heb je ook geen last)
  17. wat niet weet, wat niet deert (=waar je geen weet van hebt kun je ook geen last hebben)

87 betekenissen bevatten `dee`

  1. als het in de kajuit regent ,druipt het in de hut (=als de baas problemen heeft, krijgen ook de ondergeschikten hun deel)
  2. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  3. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan)
  4. wie niet wil, die niet zal (=als je geen interesse hebt, moet je er ook geen deel van uitmaken)
  5. alle havens schutten wind (=als je meedoet deel je mee in de winsten)
  6. geen mens is zijn eigen maker. (=beoordeel iemand niet om hun uiterlijk.)
  7. in een goed blaadje staan (=bijzonder gewaardeerd worden)
  8. dat is een paal onder water (=dat brengt meer nadeel dan voordeel)
  9. dat is een klontje boter uit zijn pap (=dat kost een flink deel van zijn fortuin)
  10. de krenten uit de pap halen (=de meest aantrekkelijke gedeelten voor zichzelf bestemmen, bijvoorbeeld de meest interessante taken uit een omvangrijk werk)
  11. de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  12. het laken door het oog van de schaar halen. (=een deel voor jezelf houden.)
  13. in de grond boren (=een idee op vervelende wijze sterk afkeuren)
  14. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  15. iets op een procrustesbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
  16. gewicht in de schaal leggen (=een wezenlijk deel bijdragen)
  17. elkaar de bal toespelen (=elkaar voordeeltjes bezorgen)
  18. er een slaatje uit slaan (=er een voordeeltje uit halen)
  19. er geen heil in zien (=er geen voordeel in zien)
  20. er part noch deel aan hebben (=er niets van weten of niet aan deelgenomen hebben)
  21. er een vuile pijp aan roken (=er veel nadeel van ondervinden)
  22. er een melkkoetje aan hebben (=er veel voordeel uit kunnen halen)
  23. er de angel uittrekken (=ervoor zorgen dat iets minder gevaarlijk wordt door het meest gevaarlijke deel onschadelijk te maken; iets minder pijnlijk maken)
  24. Joost mag het weten (=geen idee hebben (Joost = de duivel))
  25. esprit de l escalier (=geestig idee dat te laat komt)
  26. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  27. gestolen goed gedijt niet (=gestolen zaken brengen nooit voordeel)
  28. de rijpste pruimen zijn geschud (=het belangrijkste werk is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald)
  29. het neusje van de zalm (=het beste deel)
  30. een ketting is niet sterker dan de zwakste schakel (=het geheel is maar zo sterk als het zwakste onderdeel)
  31. de sterkte van de ketting wordt bepaald door de zwakste schakel (=het geheel is niet sterker dan het zwakste onderdeel)
  32. het leeuwendeel van iets krijgen (=het grootste aandeel van iets krijgen)
  33. op dezelfde golflengte zitten (=het grotendeels eens zijn)
  34. het is niet om de knikkers maar om het recht van het spel (=het is niet voor persoonlijk voordeel, maar omwille van de rechtvaardigheid)
  35. de een scheert schapen, de ander varkens (=het is ongelijk verdeeld in de wereld)
  36. als de dagen lengen, gaan de nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  37. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  38. `t Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest)
  39. het vet is van de ketel. (=het meeste voordeel is al verdwenen.)
  40. de vruchten van iets plukken (=het voordeel van iets hebben)
  41. hutje bij mutje leggen (=ieder draagt bij voor het deel dat die kan)
  42. de wereld is een pijp kaneel ieder likt eraan maar krijgt niet veel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  43. de wereld is een schouwtoneel elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  44. elk is een dief in zijn nering (=ieder zoekt zijn voordeel)
  45. men vindt geen molenaar of hij at gestolen koren. (=ieder zoekt zijn voordeel, ook al is het ten koste van anderen.)
  46. alle molens vangen wind. (=iedereen die meedoet zal een deel van de opbrengst opeisen)
  47. wie het grootste hoofd heeft, moet de grootste hoed hebben (=iemand die het recht heeft op het grootste deel, moet dat ook krijgen)
  48. iemand een worst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooruitzicht stellen, teneinde hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
  49. de steen des aanstoots (=iets dat anderen hindert, in conflict brengt of verdeeldheid zaait)
  50. in zijn vuistje lachen (=in jezelf ergens plezier hebben / Op ietwat stiekeme wijze ergens voordeel van hebben)

50 dialectgezegden bevatten `dee`

  1. 'dèè op het wèèr lèt èn op aaner mans hin wijver, dèè doehgt nie' (=die op het weer let en op andermans vrouwen, deugd niet) (Genker)
  2. 't dee mij iets (=het heeft me geraakt) (Waregems)
  3. A gink ne gank ze, dee de veedee dee... (=Hij vloog door de voordeur door...) (Teralfens)
  4. aahee oak van dee boter gefret (=ze hebben hem ook liggen) (Antwerps)
  5. aamn ze de koster en ie dee zn broek vol moster (=koster) (Zeeuws)
  6. as dèè steet ès er nog te lee vier zich te lègge. (=luierik) (Genker)
  7. Better één dee nöast oe geet, as twee dee achter oe an loopt. (=Een goede buurman is beter dan een verre vriend.) (Twents)
  8. da's inne dee oeëge vànachter op zénne kop ei (S*) (=een voorzichtig iemand) (Sintrùins)
  9. Daane / dee zat op diejste root as de tann'n hemme uitgediltsj (=Iemand met grote tanden) (lenniks)
  10. dat dee zij op eig'n holtje (=zij deed dat op eigen gezag) (Westerkwartiers)
  11. dee ei bùl ònder zen èrrem (S*) (=Hij is lui) (Sintrùins)
  12. dee ei ene kop gelèk ene bàllong (S*) (=een dik hoofd hebben) (Sintrùins)
  13. dee ei ginne frang op z'n kloeëte (S*) (=hij is platzak) (Sintrùins)
  14. dee ei mich in mén ròòpe gescheite (S*) (=hij heeft het bij mij verkorven) (Sintrùins)
  15. dee ei ne mònt gelèk en ùiske (S*) (=Zijn adem stinkt) (Sintrùins)
  16. Dèè ei nogàl mèllekflèsse (=Ze heeft witte benen.) (Sintrùins)
  17. dee ei zen kloeëte vòl of dee ei e stùk in zénne zjielei (gielis) (S*) (=Hij is dronken) (Sintrùins)
  18. dee ei zene peire gezien (S*) (=hij heeft veel afgezien) (Sintrùins)
  19. Dèè ès keploons hinne hiehë (=hij is dood en begraven (het oud kerkhof lag op de kapelanie in Genk)) (Genker)
  20. Deé es ne mie heel djust bei zen mêmores (=Iemand die zijn verstand verloren is) (Walshoutems)
  21. Dèè ès onner geen brókhin outgebriehd. (=Dat is geen dommerik.) (Genker)
  22. dëë geeste noch vër blieë (=dat gaat nog (geld) kosten) (Bilzers)
  23. dee heb 't nus onder 'n boom ligg'n (=verloving of verkering uit) (Achterhoeks)
  24. dee hebt 't nust onder n boom liggene (=ze gaan scheiden) (Achterhoeks)
  25. dee heet angs wie uh sjiet hunneke (=een angst haasje zijn) (Mestreechs)
  26. dee heet get inne zuk, kèrre vol! (=Hij is rijk) (Heldens)
  27. dèè hit den hoam oan. (=die is aan 't werk) (Genker)
  28. Dèè hit haan wei 'ne pestoer. (=iemand die niet werkt.) (Genker)
  29. Dèè hit ze nie allemool op 'n rij. (=Die is niet goed wijs.) (Genker)
  30. dèè hit zwieël onner z'n aerm. (=die heeft het werken niet uitgevonden.) (Genker)
  31. dee ienk nog oan zén maa uire sleip (S*) (=geen zelfstandige persoon) (Sintrùins)
  32. dee is och né vàn zen ieëste luige gebòste (S*) (=iemand die overdrijft) (Sintrùins)
  33. dee is zoe loens wie get (=dat is een gewiekst personage) (Mestreechs)
  34. dee is zoe sterrek es de Cascadeurs vaan Mestreech (=Dat is een sterke man) (Mestreechs)
  35. dee is zoe stoem as et pjààt vàn Christus (S*) (=hij is erg dom) (Sintrùins)
  36. deë jeet inne óp d' r wekker (=die kan lastig zijn) (Kerkraads)
  37. dee kan rijme en dichte zonder ze gat oep te lichte (=Iemand die doet alsof hij alles kan) (Walshoutems)
  38. Dèè likt do midden èn 't bed (=Die is daar goed thuis) (Genker)
  39. dee löp achter miech aon wie uh sjiet hönneke (=die raak ik niet meer kwijt) (Mestreechs)
  40. dee of dèè zou de snòt aat oer snaat eete... dee trik de pirrienge aat oer noas (=Zeer nieuwsgiering iemand ...) (Sintrùins)
  41. Dèè op het wèèr lèt èn op aaner mans hin wijver, dèè doehgt nie. (=Hij, die op het weer let en op de vrouw van een ander, deugt niet.) (Genker)
  42. dèe sjit neet veur ellef oere. (=Die geeft niet graag iets weg.) (Aelsers page 1 naarNL 1 page 1)
  43. dee sjit neet veur twie (=hij is een gieregaard) (Mestreechs)
  44. dee skup in de Steegjes de deur'n lös. (=Hij heeft platvoeten.) (Deventers)
  45. dee steenkt slimmer dan wat nen koo drit (=De overheid) (Twents)
  46. dee terren (=zot worden) (Liedekerks)
  47. dèè van ie nejeve (=de buurvrouw) (Wommersoms)
  48. Dèè ziehn ze liehver mèt z'n varse as mèt z'n tiehne. (=Die ziet men liever vertrekken dan komen.) (Genker)
  49. Der bint leu dee nich van gedachtn veraandert; mer dee deankt nooit noa (=Er zijn mensen die nooit van gedachte veranderen, maar deze mensen denken dan ook nooit na) (Twents)
  50. ei deé toch zèn duvvoûren (=hij deed een grote inspanning) (Sint-Niklaas)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen