Spreekwoorden met `de hand`

Zoek

44 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `de hand`

  1. aan de beterende hand zijn (=langzaam genezen, herstellen)
  2. aan de hand doen (=bezorgen)
  3. aan de hand van (=door middel van)
  4. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  5. de hand aan de ploeg slaan (=flink aan het werk gaan)
  6. de hand aan zichzelf slaan (=zelfmoord plegen)
  7. de hand in eigen boezem steken (=zijn eigen fout inzien)
  8. de hand lenen tot (=helpen)
  9. de hand met iets lichten (=niet scherp opletten, het niet te streng nemen)
  10. de hand op de knip houden (=zuinig zijn)
  11. de hand op iets leggen (=ergens aan kunnen komen)
  12. de hand over zijn hart strijken (=voor één keer toestaan)
  13. de hand reiken (=vergiffenis schenken)
  14. de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  15. de handen in de schoot (=werkloos)
  16. de handen slaan aan (=ontwijden)
  17. de handen thuis houden (=niet aanraken)
  18. de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
  19. de handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
  20. de handen vrij hebben (=tijd hebben om iets te doen)
  21. de handschoen opnemen (=het gevecht aangaan)
  22. de maan met de handen willen grijpen (=het onmogelijke willen doen)
  23. dit loopt uit de hand (=dit is niet meer onder controle)
  24. er de hand in gehad hebben (=eraan meegewerkt hebben, met raad of daad)
  25. er de hand voor in het vuur steken (=heel zeker weten dat iets zo is)
  26. er de handen voor op elkaar krijgen (=er steun (applaus) voor krijgen)
  27. goederen in de dode hand (=goederen die niet vererven)
  28. iemand de hand boven het hoofd houden (=iemand in bescherming nemen)
  29. iemand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in de hoop een gunst te bekomen)
  30. iemand de handschoen toewerpen (=iemand ergens toe uitdagen of met iemand de strijd willen aangaan)
  31. iemand iets aan de hand doen (=iemand een suggestie geven)
  32. iets achter de hand hebben (=iets ter beschikking hebben voor wanneer het nodig mocht zijn (bv nood))
  33. iets van de hand doen (=iets weggeven of verkopen)
  34. in de hand werken (=ertoe bijdragen)
  35. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
  36. met beide handen toegrijpen (=met graagte aanvaarden)
  37. met de hand op het hart (=eerlijk en gemeend)
  38. met de handen in het haar zitten (=geen oplossing meer weten)
  39. rap met de tanden, is rap met de handen. (=wie snel kan eten, kan snel werken.)
  40. troeven achter de hand houden (=iets voordeligs achterhouden, informatie achterhouden)
  41. van de hand in de tand leven (=zo gauw iets verdiend is het meteen weer uitgeven zonder zorgen over later)
  42. van de hand slaan/wijzen (=niet aannemen)
  43. vissen met de handen vangen (=profiteren van het werk van anderen)
  44. zwaar op de hand zijn (=zeer ernstig/zwaarmoedig van karakter zijn)

13 betekenissen bevatten `de hand`

  1. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden)
  2. aan de bel trekken (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt)
  3. er schuilt iets achter (=er is meer aan de hand dan op het eerste gezicht lijkt.)
  4. er is geen vuiltje aan de lucht (=er is niets aan de hand)
  5. in koelen bloede iets doen (=geheel kalm en rustig iets doen, alsof er niets aan de hand is)
  6. een Homerisch gelach (=harde en gemene lach om het ongeluk, de mislukking of de handicap van tegenstrevers.)
  7. je laatste troef uitspelen (=het laatste wat iemand achter de hand had naar buiten brengen)
  8. er je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  9. iets aan de knikker zijn (=iets niet in orde of aan de hand zijn)
  10. het is een slechte muis die maar een hol heeft (=je doet er best aan een alternatieve oplossing achter de hand te hebben)
  11. geen wolkje aan de lucht (=niets aan de hand - alles is prima in orde)
  12. uit het vuistje (=uit de hand , zonder gebruik van mes en vork)
  13. het fijne ervan willen weten (=willen weten wat er precies aan de hand is)

50 dialectgezegden bevatten `de hand`

  1. 'Ij èt nag wel 'n achterpleggie (=hij heeft nog wel wat achter de hand) (Enkhuizens)
  2. 't gopt link nen oovn (=dat ligt toch voor de hand) (Waregems)
  3. 't kinnekken maalken, maalksen loaten drinken (=soort van streling met de hand onder de kin van een kind) (Sint-Niklaas)
  4. assët aoën dich ès, höbsët zitte (=als je het aan de hand hebt, heb je het zitten) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. baeter een bos én de hand dan twei èn de bloes (=beter 1 vogel in de hand dan tien in de lucht) (Bilzers)
  6. baeter één èn de haan dan tein èn de bloes (=beter 1 vogel in de hand dan tien in de lucht) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. baeter één tet èn de hand dan twei èn de bloes (=beter één vogel in de hand dan 10 in de lucht) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. Baeter ein mus in de hangk, dan tien in de lôch (=beter een vogel in de hand dan tien in de lucht) (Heldens)
  9. baeter en haaf ee as ne liëge dojer (=beter één vogel in de hand dan tien in de lucht) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. baeter verloeëre dan nauts gehad (=beter één vogel in de hand dan tien in de lucht) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. betre jine veugle in d'an of tiene in de luh (=beter één vogel in de hand dan tien in de lucht) (Harelbeeks)
  12. d'r is stront an 'e knikker (=er is wat aan de hand) (Westerkwartiers)
  13. da lik vür de hand (=dat is vanzelfsprekend) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. da wijst toch z'n zelvn, da spreekt toch veur z'n eig'n (=dat ligt toch voor de hand) (Waregems)
  15. dalijk breekt de pleuris uit (=straks loopt het uit de hand) (Rotterdams)
  16. Dat is jacht (=Een kolfje naar de hand) (Giethoorns)
  17. de haande doew (=de hand geven) (Vechtdals)
  18. de hand op de knip hebben (=zuinig zijn) (Genneps)
  19. de korten steken (=speelkaarten in de hand schikken) (Sint-Niklaas)
  20. de maus him de hand gaeve (=jullie gelijken zo op mekaar in woord en daad) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. de piek met gold'n eier slacht'n (=de bron van inkomsten van de hand doen) (Westerkwartiers)
  22. de wèg lopt ur ok langst de deur (=het ligt ook voor de hand) (Tilburgs)
  23. de wind dr onder (=goed in de hand hebben) (Zeeuws)
  24. Der is niks aon de zeis (=Er is niets aan de hand) (Lopiks)
  25. di lopt un streepje deur (=niet zon bij de hand persoon) (Zeeuws)
  26. diekköp biete zich neet (=mensen met geld houden elkaar de hand boven het hoofd) (Heitsers)
  27. doar hedde gen keind oan (=die persoon is makkelijk in de hand te houden) (Hoarens (haren nb))
  28. en as ’t neet is aeve gooi vrinj (=ook als we het niet eens worden, is er niets aan de hand) (Heitsers)
  29. èn wëlk kot èster naut niks on de hand (=ieder huisje heeft zijn kruisje) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. ènt laeve moeste pakke woste pakke kons (=beter 1 vogel in de hand dan tien in de lucht) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. ge hit iets an de hand (=er is iets mis) (Heusdens)
  32. get aon zëne fits hëbbe (=van alles aan de hand hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. get aon zënë vulo hëbbë (=iets ergs aan de hand hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. get èn de hand hëbbe (=controle hebben over iets) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. gieën'n droad an gebrookn (=niets aan de hand) (Waregems)
  36. goej nog get oele oppet vier (=doe nog een schepje bij zodat het helemaal uit de hand loopt) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. hae haet nog get in ' t zaut ligke (=hij heeft nog wat achter de hand) (Steins)
  38. hae hèt ë gezich waajne stront (=hij kijkt niet vrolijk, er is wat aan de hand) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. Hij haar nog wat in 't vessebuusie. (=Hij had nog wat (geld) achter de hand) (Drents)
  40. iemes de hand boëve de kop haate (=iemand in bescherming nemen) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. iemes de hand boëve de kop hage (=iemand beschermen) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. iemes get flikke (=iemand wat aan de hand doen) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. ik zal euw kuntje us werrem maoke (=ik zal je straffen met de hand) (Geldrops)
  44. je begoart van kromm'n oas (=hij doet alsof er niets aan de hand is) (Wevelgems)
  45. je stoend doa lik ne bezikte zak (=hij was van de hand Gods geslagen) (Lichtervelds)
  46. koop 't ien de tied, bruuk 't ien de nood (=zorg ervoor dat je wat achter de hand hebt) (Westerkwartiers)
  47. leiver één èn de hand, dan twei énde bloes (=beter één vogel in de hand dan tien in de lucht) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. Lekker e sjtukske vlaam op de voes eate (WT) (=lekker stukje vlaai met de hand eten) (Mechels (NL))
  49. Maar mit je pet op je test kojje d'r ok best. (=Met de hoed in de hand komt men door 't ganse land.) (Zaans)
  50. meej un zwaore kar rije (=zwaar op de hand zijn) (Oudenbosch)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen