21 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `bijte`
- aan de vishaak bijten (=zich laten vangen, toehappen)
- blaffende honden bijten niet (=zij die het hardst roepen, zijn het minst gevaarlijk)
- de duiten bijten hem (=hij verspilt zijn geld)
- de spits afbijten (=als eerste ergens aan beginnen aan iets moeilijks)
- dode honden bijten niet (al zien ze lelijk) (=van doden is geen gevaar te duchten)
- door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zich heen laten gaan)
- een oortje in vieren zouden bijten (=erg gierig zijn)
- een pilaarbijter (=een zeer schijnheilig / hypocriet persoon)
- er komen met krabben en bijten (=er met heel veel moeite komen)
- geen ezel en kan zijn eigen oren afbijten. (=het onmogelijke hoef je niet te doen.)
- hongerige luizen bijten scherp (=met de arme mensen heeft men de meeste last)
- iemand iets in het oor bijten (=iemand iets op bitsige wijze influisteren)
- in het zand bijten (=tegenstand verduren / verliezen)
- je op de lippen bijten (=je inhouden (niet lachen of kwaad worden))
- lachende monden, bijtende honden. (=mensen die vriendelijk of aardig lijken, kunnen in werkelijkheid kwade bedoelingen hebben)
- magere luizen bijten scherp (=met de armsten heb je de meeste last)
- op de magerste paarden bijten de dazen. (=arme mensen hebben vaak pech)
- op een houtje bijten (=honger hebben)
- schaamte de kop afbijten (=je niet meer schamen)
- van zich afbijten/afslaan (=zich fel verdedigen)
- zijn eigen luizen bijten hem (=hij wordt gekweld door zijn eigen kinderen)
3 betekenissen bevatten `bijte`
- gezouten scherts (=bijtende scherts)
- je tanden laten zien (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn)
- haar op de tanden hebben (=van zich af kunnen bijten)
16 dialectgezegden bevatten `bijte`
- brojkë reike, kentsjë bijte ( aan het gebakken spek ruiken maar wel een goede hap brood eten !) (=het vlees is duur, eet maar wat meer brood) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae zoo nog wol ë knepke èn twei(e) bijte (=hij is altijd even gierig) (Munsterbilzen - Minsters)
- de moestich mèr dër dae zoeren appel hieën bijte (=de volhouder wint) (Munsterbilzen - Minsters)
- de zos én zen eege klitse bijte van sjangering (=je kan jezelf wel wat aandoen van kwaadheid) (Bilzers)
- deige luize bijte ut taarst (=van je familie moet je het maar hebben) (Oudenbosch)
- dür de zoeren appel bijte (=nog even volhouden!) (Munsterbilzen - Minsters)
- e knepke èn twei bijte (=gierig omgaan met geld) (Munsterbilzen - Minsters)
- e knepke èn twei(e) bijte (=gierig zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- e knépke èn tweië bijte (=gierig zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- graute hon bijte mekaander nie (=grote heren sparen mekaar) (Munsterbilzen - Minsters)
- hel op zen toeng moete bijte (=inslikken wat je wil zeggen) (Munsterbilzen - Minsters)
- ich moes ferm op men toeng bijte (=ik moest me goed inhouden om niets verkeerd te zeggen) (Bilzers)
- kentsje bijte en vleeske rijke (=je moet spaarzaam zijn met eten) (Bilzers)
- op zën lip bijte (=zijn mond dichthouden) (Munsterbilzen - Minsters)
- ze bijte allemaol wel as ze brood zien en das tijd genog (=je hoeft niet bang te zijn om over te schieten) (Oudenbosch)
- zën taan trop këpot bijte (=taai blijven) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen