Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


387 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ben`

  1. 't Mag vloeien, 't mag ebben. Die niet waagt zal 't niet hebben. (=Je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen bezorgen.)
  2. aan de pan gelikt hebben (=slecht terechtkomen of veel schade hebben)
  3. aan een touwtje hebben (=in zijn macht hebben)
  4. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  5. aan iets een broertje dood hebben (=ergens een grote hekel aan hebben)
  6. Abraham gezien hebben. (=50 jaar of ouder zijn.)
  7. achter de kiezen hebben (=opgegeten hebben)
  8. achter de knopen hebben (=opgegeten hebben)
  9. al gepokt en gemazeld hebben (=al veel ondervinding hebben)
  10. al vaak met dat bijltje gehakt hebben (=het werk al vaker gedaan hebben en weten hoe het moet)
  11. al voor heter vuren gestaan hebben (=er erger meegemaakt hebben)
  12. al zijn kruit verschoten hebben (=geen verdere oplossingen meer weten - niet meer verder kunnen)
  13. als hadden geweest is, is hebben te laat. . (=niet zeuren over gedane zaken)
  14. als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje. (=wat je ook doet, als je in de lage stand geboren bent zul jij nooit van de hoge stand worden.)
  15. balen hebben van (=er genoeg van hebben)
  16. ben je belatafeld (=ben je gek)
  17. beneden alle peil. (=stijlloos.)
  18. benen maken (=(haastig) weggaan)
  19. bij de neus hebben (=iets wijsmaken)
  20. bij de vleet (iets hebben) (=erg veel (van iets hebben))
  21. boter op je hoofd hebben (=zelf ook schuldig zijn)
  22. brede schouders hebben (=veel kunnen verdragen)
  23. daar ben ik mooi klaar mee. (=nu heb ik een probleem.)
  24. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd. (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben.)
  25. de aap beet/binnen/weg hebben (=het geld ontvangen hebben)
  26. de baard in de keel hebben (=overgang van kinderstem naar volwassen stem)
  27. de benen nemen (=er vandoor gaan)
  28. de benjamin zijn (=het lievelingetje zijn)
  29. de bokkenpruik op hebben (=slecht gehumeurd zijn)
  30. de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  31. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  32. de boter en de kaas te dik gesneden hebben (=te veel verteerd hebben)
  33. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  34. de brui hebben aan (=maling hebben aan)
  35. de brutalen hebben de halve wereld. (=wie brutaal is krijgt doorgaans meer dan dat diegene recht op heeft)
  36. De domste boeren hebben de dikste aardappelen (=Met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
  37. de drie h s op de rug hebben (=vast zitten, niet weg kunnen komen)
  38. de Hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  39. de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt (=ergens over gehoord hebben, zonder er echt iets van af te weten)
  40. de kriebel in zijn gat hebben (=niet kunnen stilzitten)
  41. de kronkel in de darm hebben (=hevige buikpijn (koliek) hebben)
  42. de lading binnen hebben (=dronken)
  43. de langste adem hebben. (=iets het langst volhouden.)
  44. de mier aan iets/iemand hebben (=een erge hekel hebben)
  45. de mond vol hebben van (=over bijna niets anders praten)
  46. de muren hebben oren (=er kan ongewenst worden meegeluisterd door anderen)
  47. de overhand hebben (=iets is meer aanwezig dan het ander / meer invloed hebben)
  48. de pee in hebben (=erg gehumeurd zijn)
  49. de pest aan iets (gezien) hebben (=er een hekel aan hebben)
  50. de pik op iemand hebben (=iemand voortdurend plagen of aanvallen)

412 betekenissen bevatten `ben`

  1. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  2. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
  3. het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
  4. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  5. voor heter vuren gestaan hebben (=al groter problemen gekend hebben)
  6. kunnen lezen en schrijven (=al lange tijd goede diensten bewezen hebben)
  7. al gepokt en gemazeld hebben (=al veel ondervinding hebben)
  8. een glaasje op hebben. (=alcohol te hebben genuttigd)
  9. het gelag betalen (=alle kosten moeten betalen terwijl ook anderen er schuld aan hebben)
  10. de Mammon dienen (=alleen maar belangstelling hebben voor geld)
  11. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  12. een rotte appel in de mand maakt het gave ooft/fruit te schand. (=als iemand uit een groep een fout maakt benadeelt hij de hele groep / door slechts één persoon kan iedereen van die groep een slechte naam krijgen)
  13. botten blijven platvis (=als je dom bent dan blijf je dat)
  14. wie a zegt moet ook b zeggen. (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken.)
  15. wie scheep is moet varen (=als je ergens aan begonnen bent moet je er mee voortdoen)
  16. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest. (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan.)
  17. die het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best. (=als je ergens vlak bij bent heb je daar vaak meer voordeel van dan wanneer dat niet het geval is)
  18. grijze haren zijn kerkhofsbloemen. (=als je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
  19. wie zwijgt, stemt toe. (=als je het ergens niet mee eens bent, moet je het zeggen)
  20. een spiering is vis als er anders niet is. (=als je honger hebt, ben je niet kieskeurig.)
  21. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok. (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden.)
  22. veel varkens maken de spoeling dun (=als je met veel bent, moet je ook met veel delen)
  23. gissen doet missen. (=als je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout)
  24. een geplaveisde weg is des duivels oorkussen. (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  25. in zijn achterhoofd hebben (=als reserve klaar hebben)
  26. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  27. in de rats zitten (=bang zijn of angst hebben / in de problemen zitten)
  28. waar twee kijven hebben twee schuld. (=beide personen hebben schuld als ze ruzie met elkaar maken)
  29. ben je belatafeld (=ben je gek)
  30. van de ratten besnuffeld/gebeten zijn (=ben je nu helemaal gek!)
  31. met scheve ogen aankijken (=benijden, argwanend kijken)
  32. aan het laatje zitten (=bij de bron zitten / geld hebben)
  33. op apegapen liggen (=bijna dood of erg benauwd zijn)
  34. voeling hebben (=contact hebben)
  35. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd. (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben.)
  36. ik kijk wel uit (=dat doe ik niet, daar ben ik te voorzichtig voor)
  37. na mij de zondvloed. (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
  38. dat gaat je niet in de kouwe kleren zitten. (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traumatische ervaring).)
  39. dat zijn aambeien met slagroom. (=dat zijn dingen die niets met elkaar van doen hebben.)
  40. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  41. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  42. de bezem in de mast voeren (=de baas zijn en leiding hebben)
  43. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  44. tussen mal en dwaas zijn (=de bakvisleeftijd hebben)
  45. pap in de benen hebben (=de benen willen niet meer vooruit)
  46. de touwtjes in handen hebben. (=de controle hebben.)
  47. het stuur kwijt zijn (=de controle verloren hebben)
  48. zijn ei kwijt kunnen. (=de gelegenheid hebben zich te uiten; of, zijn creativiteit kunnen gebruiken)
  49. goede papieren hebben (=de goede eigenschappen hebben (voor een baan))
  50. de spijker op de kop slaan. (=de kern van de zaak benoemen.)

Het dialectenwoordenboek kent 649 spreekwoorden met `ben`

  1. Hasselts: het benaad krege (=het benauwd krijgen)
  2. Merenaars: der ne skip in geven (=een benaderende oplossing geven)
  3. Twents: ik ben kimberley en ik ben 15 jaar (=ik ben kimberley en ik ben15 jaar)
  4. Veurns: Etwieën e klooët oftrekk'n (=Iemand zwaar benadelen)
  5. Lokers: iemand kluueten (=iemand pesten, benadelen)
  6. Amies: Dei jòng ligk aan de achtersjte mem (=Die jongen wordt benadeeld)
  7. Veurns: in z'n eig'n viengers snieën (=zichzelf benadelen)
  8. Vlijtingens: zo zak zo bendel (=gelijkaardig)
  9. Liwwadders: daar hewwe jou allenich jouself met (=daarmee benadeel je alleen jezelf)
  10. Oudenbosch: bendal wir wa bekomme ? (=ben je weer wat opgeknapt ?)
  11. Mestreechs: iemes ut vel aof doen-iemes struipe (=iemand af zetten-iemand benadelen)
  12. Hansbeeks: In zijn roab'n schijd'n (=Iemand anders benadelen)
  13. Sint-Niklaas: iemand ne kloot aftrekken (=iemand benadelen)
  14. Oudenbosch: diejee zunneige lulluk in zun viengers gesneje (=die heeft zichzelf erg benadeeld)
  15. Walshoutems: Dje hêt mich in men rââpe geschete. (=Je hebt mij gekwets, benadeeld.)
  16. Waregems: 'k ee d'r geeën ofdroag'n van (=ik voel me niet benadeeld)
  17. Tongers: zich motteg viele (=het benauwd hebben)
  18. Lichtervelds: ge moe nie loatn oender jn duuvn schietn (=je moet je niet laten benadelen)
  19. Westerkwartiers: die kirrel is een met 'n gebruuksaanwiezing (=die man moet je voorzichtig benaderen)
  20. Sint-Niklaas: benaat zin, mette poepers zitten (=schrik hebben)
  21. Harelbeeks: Ie dee in zyn brook van benaudehie (=hij had vreselijke angst)
  22. Bosch: bende gauw gek! (=ben je helemaal gek geworden!)
  23. Oeffelts: bende host verrig (=ben je haast klaar)
  24. Oudenbosch: bendal wiesse strooje ? (=heb je het communicantje al gefeliciteerd ?)
  25. Westerkwartiers: 't wordt 'em hiet onner de voet'n (=hij krijgt het behoorlijk benauwd)
  26. Munsterbilzen - Minsters: twieëtem stillekesaon werm onder zen viet (=hij krijgt het stilaan benauwd)
  27. Hulshouts: hiel den hannekesnest (=heel de bende)
  28. Westerkwartiers: moest 'em niet veur de kop steut'n (=je moet hem niet onvriendelijk benaderen)
  29. Gents: staat en benaat (=stout en bang)
  30. Deventers: bin nie so van dat benauwde (=ik ben niet zo bang aangelegd)
  31. Maas en waals: bende nou himmol betoetert (=ben je nu gek geworden)
  32. Helenaveens: bende gij al bij de akkeliete? (=ben jij al lang misdienaar?)
  33. Eindhovens: Wa bende aant doen (=Wat ben je aan het doen?)
  34. Ossies: Wa bende tog unne schuuperd (=Wat ben toch een kwajongen)
  35. Oudenbosch: bendal wiesse (n)appe ? (=heb je je al een gebit laten aanmeten ?)
  36. Bilzers: ich kraajget haaj op menen ojem (=ik krijg het hier erg benauwd)
  37. Bosch: Un dikke kop hedde, dè bende (=Je hebt een dik hoofd, dat ben je!)
  38. Westerkwartiers: die vrouw is schiet'ns benauwd (=die vrouw is doodsbang)
  39. Overmeers: 'n bende sprieën (=een vlucht spreeuwen)
  40. Ossies: van wie bende ge der enne (=hoe heet jij)
  41. Astens: wa bende toch `n stom vèrreke (=iets doms gedaan)
  42. Helmonds: benDE GAJ HOOMOO OF WA! ! (=Valt u op mannen)
  43. Bilzers: Waaj daste n benaan raech kraaigs ? Légter n proem bij ! (=soort hoort bij soort)
  44. Bonheidens: In benaa snijn ze petètte en rijn ze me de kerrewage (=In Bonheiden snijden ze aardappelen en rijden ze met de kruiwagen)
  45. Helmonds: bende gai an ut pesjonkele (=vaak in en uit lopen)
  46. Munsterbilzen - Minsters: nen aop it geen niëtsjes aster benane te krijge zin (=je houdt je aan hetgeen je goed kent)
  47. Oudenbosch: bende nouw eulemaol gek geworre (=je bent niet goed man !)
  48. Bosch: bende nou helemoal van de pot gerukt (=Iets wat echt niet kan)
  49. Zeeuws: ie is van n duvel en zn ouwe moer noh nie benauwd (=niet bang uit gevallen)
  50. Bonheidens: Ik wuen in benaa, waa ze kappe en snaae en me de keurrewage raae (=Ik woon in Bonheiden, waar ze kappen en snijden en met de krijwagen rijden)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen