Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


141 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `alle`

  1. aan alle kapelletjes aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  2. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  3. achter de puttings overboord vallen (=reddeloos verloren zijn)
  4. alle beetjes helpen (=ook kleine dingen dragen bij aan het grote geheel)
  5. alle duivels uit de hel vloeken (=heftig vloeken)
  6. alle gekheid op een stokje (=maar nu liever ernstig)
  7. alle goede dingen bestaan in drieën (=gezegd van iets waarvan men er twee heeft en een derde wil krijgen)
  8. alle heilige huisjes aandoen (=alle cafés bezoeken)
  9. alle hens aan dek (=met alle beschikbare mensen of alle middelen)
  10. alle hoop de bodem in (laten) slaan (=door iets geen enkele hoop meer (laten) hebben)
  11. alle hout is geen timmerhout (=niet iedereen beschikt over dezelfde kwaliteiten / niet alles is van voldoende kwaliteit)
  12. alle kusten bezoeken (=met allerlei slecht volk omgaan)
  13. alle mensen moeten leven (=gun de anderen ook wat)
  14. alle molenaars zijn geen dieven (=scheer niet iedereen over dezelfde kam)
  15. alle registers opentrekken (=z`n uiterste best doen)
  16. alle tij heeft zijn weertij (=alles heeft een keerzijde)
  17. alle vis is geen bakvis (=niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
  18. alle vrachtjes helpen (=veel kleintjes maken een grote)
  19. alle waar is naar zijn geld (=van iets goedkoops mag je geen topkwaliteit verwachten)
  20. alle wegen leiden naar Rome (=er zijn veel manieren om je doel te bereiken / de uitkomst is altijd hetzelfde)
  21. alle zeilen bijzetten (=de uiterste best doen om iets toch te bereiken)
  22. alleen een piepend wiel krijgt olie (=door zich opvallend te gedragen bekomt men aandacht)
  23. allemans vriend is iedermans nar (=je kan niet voor iedereen goed doen)
  24. alles komt uit al moesten de kraaien het uitbrengen (=de waarheid komt altijd uit)
  25. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  26. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  27. alles op alles zetten (=zich tot het uiterste inspannen om iets te bereiken)
  28. alles op één kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  29. alles op haren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het werk stellen)
  30. alles op het spel zetten (=alles inzetten en mogelijk alles verliezen)
  31. alles over de vloer halen (=alles verplaatsen)
  32. alles over een kam scheren (=alles en iedereen gelijk stellen)
  33. alles wat los en vast is/zit (=alles)
  34. Als de ene blinde de ander leidt vallen ze beiden in de gracht (=Wanneer onbekwamen andere onbekwamen adviseren gaat het fout)
  35. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  36. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  37. als niet komt tot iet dan is het allemans verdriet (=een 'parvenu' heeft dikwijls kapsones)
  38. als Pasen en Pinksteren op één dag vallen (=iets wat nooit zal gebeuren)
  39. beneden alle peil (=stijlloos)
  40. bij het walletje langs (=op het nippertje, zuinig)
  41. bij nacht zijn alle katjes grauw en alle mondjes even nauw (=als het erop aankomt zijn we allen gelijk)
  42. dat is alleen voor pater en mater en niet voor het hele convent (=dat is voor jou te hoog gegrepen)
  43. de baars vergallen (=de zaak laten mislukken)
  44. de bot kunnen gallen (=een moeilijke taak aankunnen)
  45. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  46. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  47. de mussen vallen (dood) van de daken (=het is snikheet)
  48. de regen schuwen en in de sloot vallen (=door iets onaangenaams te ontwijken in nog groter problemen komen)
  49. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  50. de snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen (=ik ben op goede plaatsen beland)

206 betekenissen bevatten `alle`

  1. naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doen wat iemand vraagt)
  2. De kruik gaat zolang te water tot zij barst (=1: alles heeft zijn beperkingen. 2: De onvoorzichtige die niet naar goede raad wil luisteren ondervindt daarvan vroeg of laat de gevolgen)
  3. Het varken is door de buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: alles is doorgestoken kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  4. er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
  5. je hart uitstorten (=aan iemand alles (in vertrouwen) vertellen)
  6. van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets)
  7. zijn ziel en zaligheid verkopen (=absoluut alles opofferen)
  8. tot de bedelstaf/bedelzak brengen (=alle aardse bezittingen ontnemen)
  9. de toets kunnen doorstaan (=alle antwoorden op vragen/problemen weten)
  10. geen klaviertje over slaan (=alle bijzonderheden in acht nemen)
  11. het tafellaken doorsnijden (=alle bindingen met iemand verbreken)
  12. bij elk heilig huisje aanleggen (=alle cafés bezoeken)
  13. alle heilige huisjes aandoen (=alle cafés bezoeken)
  14. aan alle kapelletjes aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  15. het naadje van de kous willen weten (=alle details willen weten)
  16. het gelag betalen (=alle kosten moeten betalen terwijl ook anderen er schuld aan hebben)
  17. geld stinkt niet (=alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan)
  18. alles op haren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het werk stellen)
  19. het doel heiligt de middelen (=alle middelen zijn toegelaten, zolang het doel maar bereikt wordt)
  20. het hart in de schoenen zinken (=alle moed en hoop verliezen om problemen op te lossen)
  21. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  22. al zijn patronen verschieten (=alle mogelijkheden uitproberen)
  23. achter de wolken schijnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter)
  24. voor Sinterklaas spelen (=alle wensen vervullen, alles voor iedereen betalen)
  25. al het goede komt van boven (=alle zegen komt van god)
  26. het rijk alleen hebben (=alleen baas zijn, alleen thuis zijn)
  27. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  28. Het leven is meer dan eten en drinken. (=alleen eten en drinken vult geen leven.)
  29. de bastaard van de graaf wordt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  30. de Mammon dienen (=alleen maar belangstelling hebben voor geld)
  31. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  32. om den brode doen (=alleen werken voor het geld en niet omdat het werk fijn/leuk is)
  33. Niemand zoekt de ander in de oven als hij er zich niet zelf in verstopt heeft (=alleen wie zelf slecht is denkt slecht over anderen)
  34. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  35. iemand over de hekel halen (=allerlei slechte dingen vertellen over iemand)
  36. alles wat los en vast is/zit (=alles)
  37. niets afslaan behalve vliegen (=alles aannemen)
  38. bij de roes (=alles door elkaar)
  39. alles over een kam scheren (=alles en iedereen gelijk stellen)
  40. het loopt op rolletjes (=alles gaat als vanzelf)
  41. botertje aan de boom zijn / het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  42. ogen van achteren en van voren hebben (=alles goed in de gaten houden)
  43. zijn ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
  44. alle tij heeft zijn weertij (=alles heeft een keerzijde)
  45. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=alles heeft een reden, ook al is die niet altijd even duidelijk)
  46. alles op het spel zetten (=alles inzetten en mogelijk alles verliezen)
  47. er is niets nieuws onder de zon (=alles is al eerder vertoond)
  48. boven water zijn (=alles is bekend geworden of is teruggevonden)
  49. in kannen en kruiken zijn (=alles is geregeld)
  50. de kust is veilig (=alles is in orde - er is niemand in de buurt)

Het dialectenwoordenboek kent 287 spreekwoorden met `alle`

  1. helmonds: alleej, alleej, alleej (=schiet op)
  2. Antwerps: allee , den allee is bouve (=allee (aansporing))
  3. Moes: mor allei gij (=maar kom)
  4. Erps: in a broek schijten en alleloelia zingen (=luidop dromen)
  5. Moes: allei jong (=t'is niet waar zeker)
  6. Brakels: mij gat gescheetn en alleeloeja gezoongn (=in je dromen)
  7. Tilburgs: alleej,verèùt, aachterèùt. (=toe, vooruit, ga achteruit.)
  8. Waregems: allee toe, gouw ! (=kom op !)
  9. Munsterbilzen - Minsters: van lang ston konste wottel sjiete (=alleenstaande zoekt zittend beroep)
  10. Merenaars: alleesj gi woeer (=niet eens waar)
  11. Lebbeeks: goestingen: Vieze goestingen émmen (=Trek hebben in niet-alledaags gerechten tijdens de zwangerschap)
  12. Westfries: allegaar skeef en beroerd. (='t is niet bepaald af....)
  13. Zeeuws: allef mudje (=klein dik vrouwtje)
  14. Moes: allei jom, oustouwa (=komaan, haast je wat)
  15. Antwerps: veul te goe is allef zot (=veel te goed is half zot)
  16. herenthouts: Kgoon da allegaa doen (=Ik zal dat eens vlug doen)
  17. Drents: Hij mot op de zwörm passen. (=Iemand wiens vrouw 'op alledag' loopt)
  18. Munsterbilzen - Minsters: zenen allee gon (=buiten gezwierd worden)
  19. Walshoutems: allel e pueteke huutkees bij de bienoor hoale (=Vlug een potje hoofdkaas bij de beenhouwer halen)
  20. Ossendrechts: allee gij! (=uitroep van verontwaardiging)
  21. Tilburgs: alleej, kom haawdoe war. (=nou vooruit tot ziens maar weer.)
  22. Waregems: ie 'n oa alleens geen'n dust (=hij had niet eens dorst)
  23. Londerzeels: oep den allee (=op de overloop)
  24. Bevers: Ik zal da ies allegou arrangeren (=Ik zal dat eens snel doen)
  25. Epers: A'j noe deur de hond of de katte e'beet'n wod,t'is allebeide niks. (=Politiek is gemeen)
  26. Harelbeeks: allee tot in 't pikken van d'n andzjoen eh! (=Een vage afsraak maken)
  27. Ouddorps: Ze blonke as 'n schallebieter, alletwêê (=Ze glommen allebei)
  28. Hulsters (NL): allee, jong? - Allijong? (=Wat zeg je me nou?)
  29. Hulsters (NL): allee jong! (=hou daar mee op!)
  30. Oudenbosch: ij mag nog vor allef geld mee (=hij kan nog mee op een kinderkaartje)
  31. Oudenbosch: die zijn vantzelfde laoke en pak (=die zijn allebei even erg)
  32. Waregems: ouw zeekre !, emmaar allee gouw zeg !, ten e nie woar ee ! (=nee maar !)
  33. helmonds: wai ete allein nog wa froit (=ik eet alleen nog wat fruit)
  34. Terneuzens: de minsen stingen allegoare t'hope op den diek (=de mensen stonden op een kluitje op de dijk)
  35. Kinrooi: allein oppen druuëge veultj 'ne vès natigheid! (=alleen op het droge voelt een vis nattigheid!)
  36. turnhouts: Leustert ollemoal iszier (=Aandacht allemaal)
  37. Brugs: ollemolle toope (=allemaal samen)
  38. Sint-Niklaas: allemoal tuggoar (=allemaal tesamen)
  39. Lovendegems: ze kunnen allemaal oplupen (=ze kunnen allemaal opdonderen)
  40. Allefs: As ut hooi ut perd achterna komt, willut gevrete worre (=Zij wil een man)
  41. Kinrooi: Mèt twieë kriegs te mieë gedachtj es allein gedaon! (=Met twee krijg je meer gedachten dan alleen gedaan!)
  42. Kinrooi: Eigelik kinne wae 't gelök allein mer es 't veurbiej is! (=Eigenlijk kennen wij het geluk alleen maar wanneer het voorbij is!)
  43. Tilburgs: alleej, haawdoe èn saluu(t) war ! (=nou vooruit, het ga je goed en tot ziens hè !)
  44. Antwerps: allei, cirkulei, d'eraf of 'k zet oe deroep ! (=Vooruit, rij door, ga van dat (voetpad), of ik zet je op de bon !)
  45. Steins: moorziëlig allein (=eenzaam (heel erg))
  46. Haags: Ik breek je allebé je potûh, Ik trap je darme op een hoap, ik zuig je een aug uit, kruip in je reet en bét een stuk uit je hagt. (=Jij bent nog niet jarig)
  47. Waregems: allee, goen'aavnd, zulle! (=dat is mij te veel, ik haak af (protesthouding))
  48. Kinrooi: De kóns baeter get allein gaon fitsen es aan thoes ruzing make! (=Je kan beter alleen gaan fietsen dan thuis ruzie maken!)
  49. Gronings: doar komt gain gebak oet (=allemaal het zelfde)
  50. Brugs: 't zien klaps tegen den vaak (='t is allemaal tevergeefs)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen