Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


233 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `aard`

  1. Aan een dood paard trekken. (=Je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
  2. aardewerk is geen paardenwerk. (=Graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  3. achteruit gaan als een hollend paard (=snel terrein verliezen)
  4. Achteruit gaan als een hollend paard. (=Snel terrein verliezen)
  5. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Huwbare meisjes moeten niet achter de vrijer aanlopen.)
  6. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Als de vrijster achter haar geliefde aanloopt, wil zij te graag trouwen)
  7. anderhalve man en een paardenkop (=weinig aanwezigen)
  8. arbeider in de wijngaard des heren (=geestelijk beroep (priester,dominee) uitoefenend)
  9. Beter een blind paard dan een leeg halster. (=Beter iets dan niets)
  10. Beter één ezel voor de ploeg dan twee paarden op stal. (=Kiezen voor zekerheid.)
  11. boven aarde staan (=overleden zijn maar nog niet begraven)
  12. buiten de waard rekenen (=niet gerekend hebben op hoe anderen er werkelijk over denken)
  13. dat heeft nogal wat voeten in de aarde (=dat is moeilijk te realiseren)
  14. dat is de aard van het beestje (=dat is typisch iets voor die persoon; zo zit hij of zij nu eenmaal in elkaar)
  15. Dat is een paard van een daalder. (=Dat is een trots mens)
  16. dat is nog geen haaienvin waard (=waardeloos)
  17. Dat kan het paard niet trekken. (=Daar heb ik onvoldoende geld voor)
  18. dat paard zal mij niet meer slaan (=dat zal mij niet meer gebeuren)
  19. Dat paard zal mij niet meer slaan. (=Voortaan zal ik beter oppassen)
  20. de aard van het beestje (=het karakter van iemand)
  21. De aardappelen afgieten (=Een plasje doen door heren)
  22. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  23. de baard in de keel hebben (=overgang van kinderstem naar volwassen stem)
  24. de bastaard van de graaf wordt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  25. de berg heeft een muis gebaard (=ondanks de grote beloften is er vrijwel niets van terecht gekomen)
  26. De beste paarden staan op stal. (=De leukste meisjes gaan niet uit)
  27. De boer op de bok liet de teugels vieren, het paard kende zelf de weg wel. (=Je moet niet doen alsof je de beste bent, iemand anders weet ook wel wat)
  28. De domste boeren hebben de dikste aardappelen (=Met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
  29. De één mag een paard stelen, de ander mag niet over het hek kijken. (=Sommigen mogen alles, anderen mogen niets)
  30. de eerste klap is een daalder waard (=een goed begin is het halve werk)
  31. de ene dienst is de andere waard (=wanneer iemand helpt, doet men graag iets terug)
  32. De groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=De machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  33. De hete aardappel doorspelen (=Iemand anders de vervelende klus laten opknappen)
  34. de man wel, maar het paard niet (=niet helemaal eerlijk zijn)
  35. de paarden achter de wagen spannen (=de zaak verkeerd aanpakken)
  36. de paarden die de haver verdienen krijgen ze niet (=zij die het goede werk verrichten, krijgen niet altijd de beloning)
  37. De paarden die de haver verdienen, krijgen ze niet. (=Verdienste blijft vaak onbeloond)
  38. de pen is machtiger dan het zwaard (=woorden kunnen meer teweeg brengen dan wapens)
  39. de prins op het witte paard (=de man van je dromen)
  40. De prins op het witte paard. (=De man uit je dromen)
  41. de slaap der rechtvaardigen slapen (=een schoon geweten hebben)
  42. de vis aardt naar de zee (=je kunt wel zien waar hij vandaan komt)
  43. de wolf ruit wel van baard maar niet van aard (=het karakter van de mensen verandert nooit)
  44. denken moet je aan een paard overlaten, dat heeft een groter hoofd (=niet te veel denken maar doen)
  45. Denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=Je moet niet te veel denken)
  46. Die haalt de nieuwe aardappelen niet (=Iemand die gauw zal gaan sterven)
  47. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen.)
  48. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
  49. een aardje naar zijn vaartje hebben (=qua karakter op zijn vader lijken)
  50. een blind paard zou er geen schade doen (=een armoedig interieur)

128 betekenissen bevatten `aard`

  1. voor lief nemen (=aanvaarden)
  2. op zich laten zitten (=aanvaarden zonder tegenstand)
  3. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
  4. werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen komen en gaan)
  5. tot de bedelstaf/bedelzak brengen (=alle aardse bezittingen ontnemen)
  6. na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
  7. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  8. aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  9. in een goed blaadje staan (=bijzonder gewaardeerd worden)
  10. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=Boerenregel. aardappelen komen pas in mei uit)
  11. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  12. zo gaan er twaalf in het dozijn (=dat heeft weinig waarde)
  13. zo gaan er dertien in een dozijn (=dat heeft weinig waarde, is niet zo bijzonder)
  14. daar is geen oogje vet meer op (=dat is niet veel meer waard)
  15. dat is een aalshuid (=dat is van weinig waarde)
  16. dat is naatje/pet (=dat is waardeloos)
  17. dat kan Bruin(tje) niet trekken (=dat kunnen we ons niet veroorloven (afgeleid van een populaire naam voor trekpaarden))
  18. dat houdt me op de been (=dat zorgt ervoor dat ik door kan blijven gaan; daardoor houd ik het vol)
  19. het bloed kruipt waar het niet gaan kan (=de aard verloochent zich nooit)
  20. het gouden kalf aanbidden (=de hoogste waarde hechten aan geld / zich onderdanig gedragen tegenover rijken)
  21. niet door de beugel kunnen (=de norm overschrijden van wat aanvaardbaar of behoorlijk is)
  22. de oude adam (=de zondige natuur (aard))
  23. goed gereedschap is het halve werk (=door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard)
  24. recht praten wat krom is (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien)
  25. de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  26. heet gebakerd (=driftig van aard)
  27. de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  28. paradepaard (=een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is)
  29. een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
  30. in de fout gaan (=een onaanvaardbaar of strafbaar feit begaan)
  31. conditio sine qua non (=een onvermijdelijke voorwaarde)
  32. onze Lieve Heer heeft rare/vreemde kostgangers (=er bestaan nu eenmaal merkwaardige mensen)
  33. er is onkruid onder de tarwe (=er zijn minderwaardige goederen (of personen) tussen de betere)
  34. ergens oog voor hebben (=ergens de waarde van inzien of aandacht voor hebben)
  35. iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden)
  36. zijn draai niet kunnen vinden (=ergens niet kunnen aarden)
  37. zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)
  38. hete bliksem (=gestoofde aardappels met appel)
  39. Aardewerk is geen paardenwerk. (=Graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  40. een gouden hart hebben (=heel aardig/lief zijn)
  41. het gaat van sassenbloed (=het gaat met grote opofferingen gepaard)
  42. het kan er mee door (=het gaat wel, het is aanvaardbaar)
  43. parels/paarlen voor de zwijnen werpen (=het goede verspillen aan hen die het niet verdienen/waarderen)
  44. eigen haard is goud waard (=het is nergens zo mooi als thuis / men hecht veel waarde aan het eigen bezit)
  45. het is niet om de knikkers maar om het recht van het spel (=het is niet voor persoonlijk voordeel, maar omwille van de rechtvaardigheid)
  46. er is reuk noch smaak aan (=het is weinig waard, het is niet interessant)
  47. 't Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest)
  48. ergens voor tekenen (=het met plezier willen aanvaarden)
  49. het moet uit de lengte of uit de breedte komen (=het moet hoe dan ook uitgespaard worden)
  50. de vis is de boet niet weerd (=het sop is de kool niet waard)

Het dialectenwoordenboek kent 54 spreekwoorden met `aard`

  1. Zottegems: kan d'r nkl zijne vélo tegezetten (=Grote aardappelplanten)
  2. Riemsts: ubbere (=aardbeien)
  3. Berlaars: petoot (=aardappel)
  4. Geffes: Den aard krégge {aarde] (=Zich thuis gaan voelen)
  5. Zelzaats: Temberken (=Oplossing van aardappelbloem in warm water om vleesjus mee aan te dikken)
  6. Zwartebroeks: 't Zit in 't soort (=Dat is zijn aard)
  7. Veurns: een kop èn (=koppig zij nvan aard)
  8. Veurns: patatt'n ofpeur'n (=aardappelen afgieten)
  9. Sint-Niklaas: puttetten uitsteken (=aardappelen rooien)
  10. Ninoofs: woeëterzakken (=smakeloze aardappelen)
  11. Wagenings: piepers jassen (=aardappelen schillen)
  12. Zeeuws: nieuwe petaten en zoute vis eten de boeren at kerremis is (=nieuwe aardappels)
  13. IJmuidens: Een beest op je rug hebben. (=Je bent lui van aard.)
  14. Zeeuws: Ie is nie vee zéhhe(n) (=Hij is zwijgzaam van aard, geen prater)
  15. Erps: de petatten zijn zocht (=de aardappels zijn gaar)
  16. Bollenstreeks: Hejje arebeie bijje ? (=Heb je aardbeien bij je ?)
  17. Houtens: Pieper met slaai (=aardappel met sla)
  18. Overmeers: 'n mande petatten (=een mand aardappelen)
  19. Overmeers: 'n roe petatten (=een oppervlak aardappelen)
  20. Aalsters: azoei nen doesj patatten (=zo een hoop aardappelen)
  21. Overmeers: 'n boale petatten (=een zak aardappelen)
  22. Tilburgs: unne kòp èèrpel (=ongeveer 4 kg aardappelen)
  23. Aarschots: de petaate zooien (=de aardappelen koken)
  24. Hamonter: de erepel zien murruf (=de aardappelen zijn gaar)
  25. Gavers: Tuitsespap (=Gekookte karnemelk met aardappelen en muscaatnoot)
  26. turnhouts: zen de patatten al meurrig (=zijn de aardappelen gaar)
  27. Sint-Niklaas: puttette steken; puttetten uitdoen (=aardappelen oogsten)
  28. Bornems: patatten weg peiren (=aardappelen weg kappen)
  29. Sint-Niklaas: de petetten (puttettun) moeten uitgedoan wurren (=de aardappelen moeten gerooid worden)
  30. Clings: een klutsken (=een beetje (bijv. aardappelen in een zakje))
  31. Waregems: tramplen mee de voetn (=losse aarde aanstampen (tuinieren))
  32. Neerpelts: Patatten temperen met een verket (=aardappelen pletten met een vork)
  33. Kaatsheuvels: sloaj mee aai mee erpel (=sla met ei en aardappelen)
  34. Tilburgs: die èèrpel kèèken oe aon (=die aardappels zijn niet goed gepit)
  35. Munsterbilzen - Minsters: nauw ieëreppelkes moeste sjrabbe, nie sjülle (=nieuwe aardappels moeten geschraapt worden en geschild)
  36. brabants: slaai meej ajuin meej aai meej êrêpel (=sla met ei met ui met aardappels)
  37. Overmeers: 'n heupken eirde (=een hoopje aarde)
  38. Sint-Niklaas: de petetten (puttettun) zè zocht (=de aardappelen zijn gaar gekookt)
  39. Zeeuws: 'k he slae mee nieuwe aerpels heete (=Ik heb sla met nieuwe aardappelen gegeten.)
  40. brabants: Slaoi meej aai meej juin meej èèrepel (=Sla met ei, ui en aardappelen)
  41. Vrasens: Tegen Vroase-karmes steken we nuve petetten. (=Als het kekrmis is in Vrasene, oogsten we nieuwe aardappelen)
  42. Tilburgs: slaoj meej jöön mee aaj mee èèrpel (=sla met ui met ei met aardappelen)
  43. Sint-Katelijne-Waver: da smokt na jeir (=dat proeft naar aarde)
  44. Waregems: 'k oa d'n ap ipgeetn (=mijn woorden vielen niet in goede aarde)
  45. Maldegems: Der ligt ne taet op meun tele (=Er ligt een aardappel op mijn bord)
  46. Oudenbosch: zullie zijn daor altijd aard vor oew in de weer (=zij zijn altijd bereid je te helpen)
  47. Munsterbilzen - Minsters: tès ammel geen avans (=dat alles brengt geen aarde aan de dijk)
  48. Westerkwartiers: onze Lieve Heer het roare kostgangers (=er lopen rare figuren op aarde)
  49. Oudenbosch: ok al gaode op aande en voete staon (=ook al beweeg je hemel en aarde)
  50. Bonheidens: In Benaa snijn ze petètte en rijn ze me de kerrewage (=In Bonheiden snijden ze aardappelen en rijden ze met de kruiwagen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen