Spreekwoorden met `Woor`

Zoek

45 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Woor`

  1. daar is geen Woord Frans/Latijn/Chinees bij (=iedereen kan dat begrijpen)
  2. dat staat niet in zijn Woordenboek (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord)
  3. de daad bij het Woord voegen (=onmiddellijk doen wat men zegt te zullen doen)
  4. de Woorden uit de mond halen/nemen (=zeggen wat de ander ook net wou zeggen)
  5. doe wel naar mijn Woorden, maar ziet niet naar mijn daden (=ik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet)
  6. een goed verstaander heeft maar een half Woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  7. een goed Woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
  8. een haastig Woord is gauw gezegd. (=zeg geen dingen zonder eerst na te denken)
  9. een man een man, een Woord een Woord (=als je iets hebt beloofd, dan moet je je daar ook aan houden)
  10. een spreekWoord is een waar Woord. (=spreekwoorden bevatten vaak waarheden of nuttige lessen waar je van kunt leren)
  11. een Woord op zijn pas is een daalder waard (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  12. een Woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  13. er geen Woorden aan vuilmaken (=er niets eens over spreken)
  14. gevleugelde Woorden (=veel gebruikte en breed gedragen uitspraken)
  15. goed zijn Woord kunnen doen (=een vlotte prater zijn)
  16. het antWoord schuldig blijven (=het antwoord niet kunnen geven)
  17. het ene Woord brengt het andere voort. (=een negatieve opmerking kan leiden tot negatieve woorden over en weer)
  18. het ene Woord haalt het andere uit (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug)
  19. het harde Woord moet eruit (=het onaangename moet gezegd worden)
  20. het hoge Woord is er uit (=het onaangename is gezegd)
  21. het hoogste Woord hebben (=baas zijn (of willen zijn))
  22. het laatste Woord willen hebben (=de baas willen zijn)
  23. het Woord hebben (=in een gesprek aan beurt zijn)
  24. het Woord voeren (=spreken (als afgevaardigde door anderen))
  25. het zwoerd/zWoord achter de oren hebben (=doof zijn)
  26. iemand aan zijn Woord houden (=van iemand eisen dat hij zijn belofte nakomt)
  27. iemand de Woorden uit de mond halen (=voor een ander spreken)
  28. iemand te Woord staan (=naar iemand luisteren en uitleg geven)
  29. iets voor zijn verantWoording nemen (=iets op zich nemen)
  30. je Woord gestand doen (=doen wat iemand beloofd heeft)
  31. je Woorden inslikken (=niet uitspreken)
  32. je Woorden kauwen (=eerst nadenken en dan pas spreken)
  33. je Woorden op een goudschaaltje wegen (=uiterst weloverwogen spreken)
  34. je Woorden worden weer thuisgebracht. (=als je iets negatiefs zegt kan dat leiden tot negatieve gevolgen voor jezelf)
  35. met iemands Woorden naar de markt gaan (=overal rondvertellen wat men elders horen zeggen heeft)
  36. naar zijn Woorden zoeken (=niet goed meer weten wat te zeggen)
  37. te Woord staan (=luisteren naar en bereid zijn te spreken met)
  38. uit wiens hand men eet wiens Woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  39. voor geen geld of goede Woorden (tot iets bereid zijn) (=niet bereid zijn tot iets, wat iemand ook ervoor biedt, en welke argumenten iemand ook naar voren brengt)
  40. vroeger, toen kraaiden de hanen nog. TegenWoordig gapen ze alleen nog maar, zei de dove (=veranderingen in een situatie zijn vaak niet feitelijk, maar een subjectieve beleving)
  41. wiens brood men eet, diens Woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  42. Woord houden (=doen wat iemand beloofd heeft)
  43. Woorden hebben (=ruzie of enigheid hebben)
  44. Woorden zijn dwergen, daden zijn bergen (=woorden doen weinig, daden maken het verschil)
  45. Woorden zijn geen oorden (=met praten bereiken we niets)

63 betekenissen bevatten `Woor`

  1. de toets  kunnen doorstaan (=alle antWoorden op vragen/problemen weten)
  2. allemans werk is niemands werk. (=als iedereen verantWoordelijk is, doet niemand het daadwerkelijk.)
  3. of je worst lust! (=antWoord als iemand `Wat?!` zegt)
  4. je eer verpanden (=borg staan op zijn ereWoord)
  5. daar zal wat zwaaien (=daar zal een hartig Woordje gesproken worden)
  6. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke Woorden leven)
  7. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerWoord op gegeven kan worden)
  8. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste Woord)
  9. eerste viool willen spelen (=de meest prominente taak willen vervullen, bijvoorbeeld als leider of Woordvoerder van de groep)
  10. een deksel op de kop hebben (=de verantWoordelijkheid voor iets nemen)
  11. het gras voor de voeten wegmaaien (=de Woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  12. kreupel wil altijd voordansen (=de zwaksten willen het hoge Woord hebben)
  13. men vangt meer vliegen met honing/stroop dan met azijn (=door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iemand dan met lelijke Woorden)
  14. is de paus katholiek? (=een antWoord op een vraag waarvan het antWoord overduidelijk `Ja` is)
  15. het ene woord brengt het andere voort. (=een negatieve opmerking kan leiden tot negatieve Woorden over en weer)
  16. er niet van terug hebben (=er geen antWoord op weten)
  17. geen been hebben om op te staan (=geen enkele verantWoording kunnen geven)
  18. een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met Woorden)
  19. het antwoord schuldig blijven (=het antWoord niet kunnen geven)
  20. hoog van de toren blazen (=het grote Woord willen hebben / opscheppen)
  21. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antWoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  22. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antWoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  23. de boventoon voeren (=het hoogste Woord hebben)
  24. de eerste viool spelen (=het hoogste Woord hebben en de baas spelen)
  25. de teugels afwerpen. (=het loslaten van regels en verantWoordelijkheden)
  26. maak je bed zoals je wilt slapen (=iedereen is verantWoordelijk voor zijn eigen daden)
  27. iemand iets in de schoenen schuiven (=iemand aanwijzen als de schuldige of als de verantWoordelijke voor een mislukking)
  28. zo stom als een vis (=iemand die geen Woord zegt)
  29. iemand van repliek dienen (=iemand gevat antWoorden)
  30. iemand van katoen geven (=iemand met een pak slaag of Woorden straffen)
  31. met een kluitje in het riet sturen (=iemand met veel Woorden niet veel wijzer maken)
  32. iemand geloven bij ja en neen (=iemand op zijn Woord geloven)
  33. er de vingers voor durven opsteken (=iets durven aanvaarden - zijn verantWoordelijkheid durven opnemen)
  34. gouden appels op zilveren schalen (=iets is erg prachtig/goed/verstandig (verWoord))
  35. met geen pen te beschrijven zijn (=iets niet met Woorden kunnen zeggen)
  36. hoge bomen/masten vangen veel wind (=in een hoge positie heeft men ook veel verantWoordelijkheid)
  37. de melk optrekken (=je Woord terugnemen, je belofte niet helemaal vervullen)
  38. de haring hangt aan zijn eigen kieuwen (=men dient verantWoording te nemen voor de eigen daden)
  39. het puntje van een scherpe pen is `t felste wapen dat ik ken (=met een kritisch Woord kan het meest worden bereikt)
  40. een fluwelen tong hebben (=met gladde Woorden mensen kunnen overtuigen)
  41. daar helpt geen lievemoederen/moedertje lief aan (=niets helpt, ook vriendelijke Woorden niet)
  42. geen ja en geen neen zeggen (=nog twijfelen aan het antWoord)
  43. in de rede vallen (=onderbreken, het Woord ontnemen)
  44. in voce (=op dat Woord)
  45. de bal terugkaatsen (=op een vraag die gesteld wordt geen antWoord geven, maar een tegenvraag stellen; op een kritische opmerking van iemand reageren door zelf ook meteen een kritische opmerking te maken over de ander)
  46. de gebraden haan uithangen (=op onverantWoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker eten en drinken)
  47. met stomheid geslagen (=plotseling geen Woord meer kunnen zeggen)
  48. als het regent in mei, is april voorbij (=spreekWoord dat de spot drijft met spreekWoorden die open deuren intrappen)
  49. een spreekwoord is een waar woord. (=spreekWoorden bevatten vaak waarheden of nuttige lessen waar je van kunt leren)
  50. heden ten dage (=tegenWoordig)

13 dialectgezegden bevatten `Woor`

  1. A'j de koe niet kende, zo'j nie:t wette, Woor 't kalf vandaan kump (=kinderen die helemaal niet op hun ouders lijken) (Barghs)
  2. as edere mins 'nen ângere gelökkig zoo-j make, Woor edereîn gelökkig (=verbeter de wereld, begin bij je zelf) (Weerts)
  3. Da kan doch nie Woor waenn (=Dat kan toch niet zo zijn) (Achterhoeks)
  4. eva in 't paradiês Woor d'r 'n begien beej (=wordt gezegd over een vrijpostig meisje) (Weerts)
  5. gaar neet Woor (=niet waar) (Achterhoeks)
  6. Hi-j hef de melk heuren klotsen, maor wet neet Woor ' t titje hunk. (=Hij heeft de klok horen luiden, maar weet niet niet waar de klepel hangt.) (Achterhoeks)
  7. ich Woor nog leever ziêne roeëzekrans as zien vrouw (=iemand waar je geen hoge pet van op hebt) (Weerts)
  8. tis pertang Woor (=het is zeer zeker waar) (Ransts)
  9. Woor da 'tn drank es, ester e fisjtjen (=Waar er drank is, is er feest.) (Aalsters)
  10. Woor est te doen (=waar is het) (Zottegems)
  11. Woor et leuk met dien zöster, vriedig? (=was het leuk met je zus vrijdag) (Limburgs)
  12. Woor et leuk? (=was het leuk) (Limburgs)
  13. Woor zitj a mokke? (=waar is u vriendin?) (Aalsters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen