Eén spreekwoord bevat `Tog`
- daar geboren en geTogen (=daar geboren en opgegroeid)
Eén betekenis bevat `Tog`
- een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingeTogen is of iemand die zich bijna nooit ergens mee bemoeit)
17 dialectgezegden bevatten `Tog`
- 't zà Tog heen wâ zien zekr (=het zal toch niet waar zijn) (Terneuzens)
- da heb ik Tog gezeed (=Dat heb ik toch gezegd) (Liessents)
- da wit ik Tog ok nie, gek! (=dat weet ik nog niet, rare) (brabants)
- Deh geleufde Tog nie (=Dat geloof je niet) (Ewijk (Euiwwiks))
- Eg waor? Ah, gah Tog fietse mahn. (=Echt waar? Ik geloof het niet.) (brabants)
- hat owwe meule Tog is digt (=zwijg toch eens) (Neerpelts)
- ik vroag oe Tog ok nig of ne koo gras lus? (=ik vraag je toch ook niet of een koe gras lust (iets onbenulligs vragen) (Twents)
- je heb Tog geen stront in je ooge (=iets niet gezien hebben) (Rotterdams)
- k'Ontrief aa Tog nie as... (=Ik doe je toch niet tekort als...) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- kik Tog nie zo nauw (=doe niet zo pietluttig, doe niet zo serieus) (ossies)
- Kraigt Tog effe gauw de kollere! (=Krijg toch de hik!) (Rotterdams)
- nie gepies Tog naht (=niet geplast en toch nat) (Betuws)
- noew zeik mig Tog de stoof oewt (=hoe kan dat nu) (Bocholts)
- tes Tog ginnen avans (=het heeft geen om voort te doen) (Diesters)
- wa bende Tog unne schuuperd (=wat ben toch een kwajongen) (Ossies)
- Wa ligde Tog te uiren (=Wat vraag je lang door.) (Ossies)
- wat vligten tijd Tog snel, zaagte boer, en hae goejde zen zakherlauzje noë de kop van zen vroo (=bij oppensioenstelling krijg je een horloge van de collegas, terwijl de tijd nu helemaal niet meer van belang is) (Bilzers)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen