36 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Noë`
- aan zijn snoer rijgen (=tot volgeling maken)
- als een snoek op zolder (=totaal uit zijn element)
- de dingen bij hun naam noemen (=zeggen waar het op staat)
- de mond snoeren (=tot zwijgen brengen)
- de snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen (=ik ben op goede plaatsen beland)
- doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. (=blijf vooral normaal doen)
- een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
- een harde knoest heeft een scherpe bijl nodig (=een slechte gewoonte is moeilijk te verdringen)
- een kruisje is genoeg voor een boterham uit het vuistje (=voor een gewone broodmaaltijd moet niet te veel gebeden worden)
- een paling (snoek) gevangen hebben (=iemand die per ongeluk in het water is gevallen)
- een snoek op zolder zoeken (=iets onmogelijks zoeken, vergeefse moeite doen)
- een snoek vangen. (=in het water vallen)
- elk heeft genoeg in eigen tuin te wieden. (=bekritiseer geen anderen als je zelf niet perfect bent)
- elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
- geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
- genoeg ligt op het kerkhof. (=sommige mensen hebben nooit genoeg)
- genoeg voor een heel weeshuis. (=als je ergens heel veel van hebt)
- het beestje bij zijn naam noemen (=duidelijk en precies zeggen hoe je over iets of iemand denkt; precies zeggen hoe iets zit)
- het kind bij de naam noemen (=eerlijk voor de mening uitkomen)
- iemand de mond snoeren (=iemand verbieden iets te zeggen / tot zwijgen brengen)
- in de knoei zitten (=grote moeilijkheden of zorgen hebben)
- kijken als een snoek op zolder (=zeer verbaasd zijn)
- kijken alsof hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=heel ongelukkig kijken)
- lang genoeg in de kreupelstraat gewoond hebben (=lang genoeg in de problemen gezeten hebben)
- laten we elkaar geen mietje noemen (=laten we precies zeggen hoe we denken over de ander)
- man en paard noemen (=niets verzwijgen)
- man en paard noemen. (=duidelijke taal spreken)
- mans genoeg zijn (=het wel alleen afkunnen)
- men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
- menig heeft te veel, niemand heeft genoeg. (=sommige mensen hebben nooit genoeg)
- met alle soorten van genoegen (=heel graag)
- met zijn pink manoeuvreren (=iets als de beste kunnen)
- niemand genoemd, niemand gelasterd. (=het vermijden van het noemen van namen voorkomt onnodige ruzie)
- schoon genoeg hebben van (=meer dan genoeg hebben van, een hekel hebben aan)
- snoeien doet bloeien. (=tijdelijke opofferingen zijn nodig om op de lange termijn te kunnen gedijen en bloeien)
- ze slaan een snoek (=roeiers die een slag met hun riem missen)
52 betekenissen bevatten `Noë`
- komt tijd komt raad (=als er genoeg tijd overheen gaat, komt de oplossing vanzelf)
- je bent om op te eten (met boter en suiker). (=beeldig, snoezig, hartveroverend, snoeperig.)
- een reef in het zeil doen (=besnoeien in de uitgaven, bezuinigen)
- de spijker op de kop slaan (=de kern van de zaak benoemen)
- geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
- nomen nescio (=de niet genoemde persoon)
- de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
- het zit eraan bij hem/haar (=diegene kan het betalen, er is genoeg)
- een ei is geen ei twee ei is een half ei drie ei is een paasei (=één is niet genoeg, twee is beter, drie is goed)
- iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en ongenoegen over iemand uiten)
- een bonte kraai maakt nog geen winter (=één voorbeeld is niet genoeg om een definitief besluit te nemen)
- er zijn buik van vol hebben (=er genoeg van hebben)
- er het mes inzetten (=er grondig op ingrijpen, in de uitgaven besnoeien)
- het kan er niet af (=er is niet genoeg geld voor)
- er kan nog een kabeljauw onderdoor (=er is ruimte genoeg (brug, speling))
- de lucht hangt nog vol dagen. (=er is tijd genoeg)
- er wel pap van lusten (=er niet genoeg van kunnen krijgen)
- het de keel uithangen (=ergens genoeg van hebben)
- je bekomst ergens van hebben (=ergens genoeg van hebben)
- het hoofd boven water houden (=financieel rondkomen, juist genoeg geld hebben om te kunnen leven)
- je eindje wel kunnen halen (=genoeg (geld) hebben tot aan zijn dood)
- je koetjes op het droge hebben (=genoeg (geld) hebben voor de rest van het leven)
- het zat zijn (=genoeg ergens van hebben en er geen zin meer in hebben)
- ruim zijn aandeel in `s werelds lief en leed gehad hebben (=genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)
- in goede dorpen zijn/geraken (=genoeg verdiend hebben om niet meer te hoeven werken)
- als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
- een kort liedje is gauw gezongen (=het onaangename gaat snel genoeg voorbij)
- niemand genoemd, niemand gelasterd. (=het vermijden van het noemen van namen voorkomt onnodige ruzie)
- een volle buik peinst op geen lege. (=iemand die genoeg te eten heeft is niet bezig is met de zorgen van een ander)
- menen ligt dicht bij Kortrijk (maar verre van Waregem) (=iets menen is niet genoeg; je moet er zeker van zijn.)
- het zit me tot hier (=ik heb er genoeg van)
- een knuppel in het honderd gooien (=kritiek geven zonder namen te noemen)
- lang genoeg in de kreupelstraat gewoond hebben (=lang genoeg in de problemen gezeten hebben)
- er in zwemmen (=meer dan genoeg hebben)
- schoon genoeg hebben van (=meer dan genoeg hebben van, een hekel hebben aan)
- voor het opscheppen hebben (=meer dan genoeg hebben, zonder er iets voor te moeten doen)
- onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
- een veer (moeten) laten (=met minder genoegen moeten nemen)
- eieren voor je geld kiezen (=met minder genoegen nemen dan men eerder wilde)
- niet in tel zijn (=niet belangrijk genoeg zijn of genegeerd worden door anderen)
- tekortkomen (=niet genoeg (kunnen) doen)
- tekortdoen (=niet goed verzorgen, niet genoeg geven)
- uilen naar Athene brengen. (=onzinnig werk (er zijn al wijzen=uilen genoeg in Athene))
- lekker is maar één vinger lang (=oppervlakkige genoegens geven ook maar een betrekkelijke voldoening. / leuke dingen duren meestal maar erg kort)
- tot de jaren des onderscheids komen (=oud genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
- het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)
- als het kind maar een naam heeft (=passend of niet, je moet het kunnen noemen (een naam geven))
- menig heeft te veel, niemand heeft genoeg. (=sommige mensen hebben nooit genoeg)
- genoeg ligt op het kerkhof. (=sommige mensen hebben nooit genoeg)
- een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
50 dialectgezegden bevatten `Noë`
- 'k doent Noë (=ik doe het niet graag) (Veurns)
- 't ès op zeeme Noë viërig (=het is zo goed als klaar) (Bilzers)
- 't geloof ès Noë de botte (=daar kan ik moeilijk inkomen) (Munsterbilzen - Minsters)
- A' j noe deur de hond of de katte e' beet' n wod, t' is allebeide niks. (=Politiek is gemeen) (Epers)
- alle foetelkes koëmen aut, al bringen et de kraeë Noë baute (=al gaat de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel) (Munsterbilzen - Minsters)
- alles Noë de kl....helpe (=alles naar de verdoemenis helpen) (Munsterbilzen - Minsters)
- alles viër èn Noë gezaag (=alle reden plaats geven) (Bilzers)
- as ne knijn Noë stront reik, hèttër alwier ën hin misbreik (=konijnen bespringen wel eens een lekker kippetje) (Munsterbilzen - Minsters)
- as ne knijn reik Noë stront, dan zoettër èn ën hin hër kont (=een konijn lust wel eens een kippetje) (Munsterbilzen - Minsters)
- asten hond Noë hinnestront reik, héttër ziëker wier één misbreik (=als de hond naar kippestront ruikt, heeft hij er zeker weer ééntje misbruikt) (Munsterbilzen - Minsters)
- aster nie viël te doen wos, sjikden oos aars os Noë t veld vür dikke steen te raope van den akker en daaj moeste v¨r ènnet kaarspoër umkippe (=als terapie moesten we van onze ouder ook dikke keien rapen van de akkers en daarmee de karsporen vopvullen) (Munsterbilzen - Minsters)
- bau geeste hiën....ja, mën naos Noë (=waar ga je heen....ja, mijn neus achterna) (Munsterbilzen - Minsters)
- beginne Noë te lotte (=oud worden) (Munsterbilzen - Minsters)
- bès tich noe gans beklop? (=ben je nu helemaal betoeterd?) (Steins)
- béste onder de vekantse Noë sjoël gewés (=waar heb je dat geleerd?) (Bilzers)
- bi j noe hlad besuukert (=ben je mal) (Zeeuws)
- bì je noe hlad gek! (=ben je nou helemaal gek) (Zeeuws)
- Bi' j noe glad bezope (=Ben je nu helemaal!) (Zeeuws)
- Bih je noe hlad zot? (=Ben je helemaal gek?) (Zeeuws)
- bin jie noe hlad van de rattn besnuffeld (=ben je mal) (Zeeuws)
- Bin joe noe glad belaetaefelt! (=Ben je nou helemaal (gek geworden)!) (Flakkees)
- da hat mieënig vuëgelke gesjieëte dat noe nog ging vot hat (=dat duurt nog heel lang) (Sjeeter plat)
- dae ès Noë pieringeland (=hij is dood) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae ès onder de vëkanse Noë sjoeël gewès (=die heeft niet veel geleerd op school) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae és onder de vekanse Noë sjoël gewés (=die is zo dom!) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae ès onder de vekantse (spiëltijd) Noë sjoeël gewès (=hij heeft hageschooltje gelopen) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae geet Noë KERNISJ, das kot bij DE PANNE (=hij gaat nooit op reis) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae stink Noë luie zweet (=die zweet van niets te doen) (Munsterbilzen - Minsters)
- das heil Noë de vaentsjes (=dat is totaal mislukt) (Munsterbilzen - Minsters)
- das nie vër iëvër Noë haus te sjrijve (=dat is niets om fier op te zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- das Noë men goesting (=dat is naar mijn zin) (Bilzers)
- das spek Noë mene bek (=dat staat me aan!) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat smok Noë nog (=het is lekker) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat zin vaajge Noë Poëse (=te laat!) (Munsterbilzen - Minsters)
- de bekieks mich nog erger dan ën koe wo Noë den traajn kiek (=bekijk me zo niet alsof je me niet gelooft) (Munsterbilzen - Minsters)
- de hëbs alles Noë de botte geholpe (=je hebt alles verknoeid) (Munsterbilzen - Minsters)
- de hëbsët wier Noë de botte geholpe (=je hebt het alweer naar de knoppen geholpen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de jaoger daasde Noë de pijpe van de bosgard (=de jager was gezocht wild voor de jachtopziener) (Munsterbilzen - Minsters)
- de kat zal noe wel niet meer mit je lege maag gaon sleupe (=je hebt nu wel genoeg gegeten) (Nijkerks)
- de kons mich Noë de poemp loope (=ga elders om wat goeds te doen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de kons nau gemaekelëk Noë boëve kraupe (=er is een ladder in mijn kousen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de kraaigs waor Noë ze geld (=voor wat hoort wat) (Munsterbilzen - Minsters)
- de moes zën eege nie autdoen vurdaste Noë bèd gees (=het is gevaarlijk veel weg te geven voordat je doodgaat) (Munsterbilzen - Minsters)
- de sjoer trèk aof Noë den hollender, twatter kraaj (g) ter graotës (=de bui trekt weg naar Nederland, die willen toch alles gratis) (Munsterbilzen - Minsters)
- de taering Noë de naering zètte (=niet méér uitgeven dan je kan verdienen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de tijd vlig toch snel, zaag te boer, en hae goejde zëne wèkkër Noë zën vroo hërre kop (=de tijd vliegt, zei de boer, en hij gooide de wekker naar zijn vrouw haar hoofd) (Munsterbilzen - Minsters)
- de wèèg Noë den hiemel es bergop, dae Noë de hel lûp bergaof (=is moeilijk in de hemel te komen) (Bilzers)
- de werd és gemok op zés daoge, mér hae éster ook Noë (=en de zevende dag rustte hij...) (Bilzers)
- den derde keir dat ich vër ët zinge de kërk autgoeng, moch ich nimei bènne en dan bèn ich Noë ën aander kërk op zik gegon (=toen ik me de derde keer terugtrok, mocht ik niet meer binnen en ben ik op zoek gegaan naar een andere) (Munsterbilzen - Minsters)
- doë geet genen haon Noë kraeë (=daar hoor je nooit nog van) (Bilzers)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen