890 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `op`
- het vuur uit de sloffen lopen (=een uiterste inspanning leveren door hard te lopen)
- het water komt op de dijk. (=de tranen komen op)
- het water loopt altijd naar de zee (=zij die al het meest hebben, krijgen ook het meeste)
- het water loopt hem in de mond (=hij heeft er heel veel trek in)
- het wiel opnieuw uitvinden (=dubbel werk doen)
- het zal zo`n vaart niet lopen (=het zal wel meevallen)
- het zeil (hoog) in de top halen (=een grootse vertoning weggeven)
- het zeil in top zetten (=een zo goed mogelijke vertoning weggeven)
- het zijn niet allen jagers die op de hoorn blazen. (=schijn bedriegt, je kunt je in mensen vergissen)
- het zwart op wit hebben (=in geschreven of gedrukte vorm. Gedocumenteerd)
- hij zoekt zijn paard en hij zit er op (=hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet)
- hoe later op de avond, hoe schoner volk. (=vriendelijke of juist schertsende verwelkoming van late bezoekers)
- hoe later op de avond/dag hoe schoner volk (=schertsend gezegd bij het laat binnenkomen van vrienden of familie)
- hoog opnemen (=zeer kwalijk nemen)
- hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
- huizen op iemand kunnen bouwen (=sterk op iemand kunnen vertrouwen)
- ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
- iemand de ogen openen (=iemand inzicht geven in iets wat diegene nog niet doorhad)
- iemand de pen op de neus zetten (=streng ondervragen of aanpakken)
- iemand de schop geven (=iemand ontslaan)
- iemand de stuipen op het lijf jagen (=iemand erg laten schrikken en/of bang maken)
- iemand een bril op de neus zetten (=iemand terechtwijzen of dwingen gehoorzaam te zijn)
- iemand een hengst verkopen. (=iemand een harde klap geven)
- iemand een kopje kleiner maken (=iemand vermoorden)
- iemand een kroon opzetten (=iemand eer bewijzen)
- iemand een pen op de neus zetten (=iemand dreigend vermanen)
- iemand een pluim op zijn hoed steken (=iemand complimenteren)
- iemand een veer op de hoed steken (=iemand vertellen dat die z`n werk goed gedaan heeft)
- iemand het land opjagen (=iemand uit zijn humeur brengen)
- iemand het mes op de keel zetten (=iemand onder zware druk zetten)
- iemand het zwijgen opleggen (=er met niemand over mogen praten en niemand iets mogen vertellen)
- iemand iets in de maag splitsen/stoppen (=iemand met iets opzadelen)
- iemand iets op de mouw spelden (=iemand iets wijsmaken)
- iemand iets op een briefje geven (=ergens heel zeker van zijn)
- iemand iets op zijn brood geven (=iemand onvriendelijk iets verwijten)
- iemand in zijn eigen sop gaar laten koken (=iemand aan zijn lot overlaten (iemand die iets niet goed gedaan heeft))
- iemand knollen voor citroenen verkopen (=iemand wat wijsmaken, met praatjes foppen)
- iemand kunnen verraden en verkopen (=iemand veel te slim af zijn)
- iemand met de neus op de feiten drukken (=iemand iets zó onder de aandacht brengen, dat hij het niet langer kan negeren)
- iemand met open ogen bedriegen (=iemand bedriegen terwijl hij erbij staat)
- iemand ongesuikerd zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid zeggen)
- iemand op de hak nemen (=iemand er tussen nemen (grap uithalen) of spottend over iemand praten)
- iemand op de hielen zitten (=iemand bijna te pakken hebben)
- iemand op de kast jagen (=iemand zijn goede humeur doen verliezen door plagen)
- iemand op de pijnbank leggen (=iemand het moeilijk maken en daarmee dwingen iets te doen)
- iemand op de proef stellen (=iemand testen om te zien of die te vertrouwen is of het aan kan)
- iemand op de vingers kijken (=steeds kijken wat iemand doet, en of die het goed doet)
- iemand op de vingers tikken (=een standje geven, berispen)
- iemand op handen dragen (=grote bewondering hebben voor iemand)
- iemand op het matje roepen (=iemand bij zich laten komen en om uitleg vragen waarom iets zo gedaan is)
812 betekenissen bevatten `op`
- zoveel hoofden, zoveel zinnen (=iedereen heeft een eigen mening waarbij men moeilijk samen tot een oplossing kan komen)
- het dunkt elke uil dat zijn jong een valke is. (=iedereen is trots op zijn kinderen)
- iemand uit bed lichten (=iemand `s nachts laten opstaan)
- iemand van de sokken rijden/lopen (=iemand (bijna) omver rijden of lopen)
- iemand achter de broek/veren/vodden zitten (=iemand aansporen/opjagen / nauwlettend volgen)
- de hete aardappel doorspelen (=iemand anders de vervelende klus laten opknappen)
- wie het grootste hoofd heeft, moet de grootste hoed hebben (=iemand die het recht heeft op het grootste deel, moet dat ook krijgen)
- een kind van zijn tijd (=iemand die leeft volgens de in zijn tijd heersende opvattingen)
- een man van de klok zijn (=iemand die steeds precies op tijd is)
- een gewaarschuwd mens telt voor twee (=iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zich er maar op voorbereiden)
- een gladde vogel (=iemand die zich overal weet uit te redden op slinkse wijze)
- het zonnetje in huis (=iemand die zorgt voor een goede, opgeruimde sfeer)
- iemand de pap in de mond geven (=iemand een gemakkelijke oplossing zomaar aanbieden)
- iemand te grazen nemen (=iemand een gemene streek leveren, op gemene manier er tussen nemen)
- iemand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in de hoop een gunst te bekomen)
- iemand om een boodschap sturen (=iemand een opdracht laten uitvoeren)
- iemand op het verkeerde been zetten (=iemand ergens een verkeerde indruk van geven, waardoor hij of zij iets gaat denken wat helemaal niet klopt)
- iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
- de vloer aanvegen met iemand (=iemand gemakkelijk kloppen/verslaan)
- iemand iets aansmeren (=iemand iets (weinig waardevols) verkopen)
- iemands handen zalven (=iemand iets geven in de hoop een gunst te verkrijgen)
- iemand iets in het oor bijten (=iemand iets op bitsige wijze influisteren)
- iemand de wet stellen (=iemand iets opdragen te doen)
- iemand een rad voor de ogen draaien (=iemand iets wijsmaken / iemand op gemene wijze bedriegen)
- iemand de ogen uitsteken (=iemand jaloers maken door de aandacht te vestigen op iets wat men heeft, en wat de ander ontbreekt)
- iemand iets in de maag splitsen/stoppen (=iemand met iets opzadelen)
- iemand op zijn voorman zetten (=iemand nadrukkelijk op zijn plicht wijzen)
- iemand of iets over het hoofd zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet zien)
- aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
- iemand in zijn kielwater zeilen (=iemand op de hielen volgen)
- iemands geduld uitputten (=iemand op de zenuwen werken)
- in iemands zwak tasten (=iemand op een gevoelige plek raken)
- iemand een kool stoven (=iemand op een onprettige manier ertussen nemen)
- iemand geen haarbreed in de weg leggen (=iemand op geen enkele manier ergens mee hinderen of tegenhouden)
- iemand de voet lichten (=iemand op gemene manier de baan afnemen)
- iemand in het zonnetje zetten (=iemand op positieve wijze aandacht geven, iemand eer bewijzen)
- iemand geloven bij ja en neen (=iemand op zijn woord geloven)
- iemand een oor aannaaien (=iemand oplichten)
- appels voor citroenen verkopen (=iemand oplichten.)
- de hond de jas voorhouden (=iemand valse hoop geven op iets dat hij graag wil hebben)
- de kat op het spek binden (=iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben)
- iemand voor het naadgaren zetten (=iemand voor de schulden laten opdraaien)
- iemand van het kastje naar de muur sturen (=iemand voor niets heen en weer laten lopen)
- als een luis in iemands pels zijn (=iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken)
- iemand knollen voor citroenen verkopen (=iemand wat wijsmaken, met praatjes foppen)
- iemand op zijn nummer zetten (=iemand zeer nadrukkelijk op zijn fouten wijzen, op een wijze die voor die persoon beschamend is)
- iemand warm maken (=iemands interesse opwekken)
- iemand ergens voor warm maken (=iemands interesse voor iets opwekken)
- bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
- er de vingers voor durven opsteken (=iets durven aanvaarden - zijn verantwoordelijkheid durven opnemen)
50 dialectgezegden bevatten `op`
- Ak oe hurn en ni zage lup ik hat weg. (=Je hebt wel praatjes maar maakt op mij geen indruk.) (Hattems)
- al dauws te op zën pëdallë waaj nen akkrëbaot, as te de sjoer nie kon vieërblijve wieës te toch naot (=je moet flink hard kunnen fietsen om een regenbui voor te blijven) (Munsterbilzen - Minsters)
- al geeste op zëne kop stoën (=neen is neen !) (Munsterbilzen - Minsters)
- al geeste op zene kop ston (=voor geen geld ter wereld) (Munsterbilzen - Minsters)
- al geeste op zene kop ston... (=al doe je alle moeite van de wereld, ik geef niet toe) (Bilzers)
- al geet de lieëge wol ës op hol, de woërd aaterholt hër wol (=beter gekwetst door de waarheid dan gesust door een leugen) (Munsterbilzen - Minsters)
- al geise op diene kop staon (=al ga je op je hoofd staan) (Venloos)
- Al op un ouwejaorsavend, toen sloogh dun bakker zun waif, al mee un ete knuppel de velle van eur laif, ut waif dat wou nie soreke, de knuppel, die wouw nie breken, de knuppen, die brek ut waif, da sprak, o, wa rara dingen zain dat. wa zullewe dun bak (=liedje met Oudjaar) (Hulsters (NL))
- Al skait ie op de rand vamme bord, as't 'r maar niet in komt (=wat hij doet interesseert me geen ene zak pis) (Westfries)
- al skait ie op de rand vamme bord, ast 'r maar niet inkomt (=wat hij doet dat skilt main gien iene zak pis) (Westfries)
- al steeste op zene kop (=voor geen geld ter wereld) (Munsterbilzen - Minsters)
- al stès dich op zenne kop (=al doe je alle moeite van de wereld) (Vlijtingens)
- aldermetteres uitverdan (=regelmatig er op uit (uitje) ) (Westfries)
- alèèn de zon kump op vur nix (=niets is gratis) (Riemsts)
- alle gekheid op 'n stokje (=nu even serieus) (Westerkwartiers)
- alle kérre (=keer op keer) (Bilzers)
- Alle moders zeen bliej es hun kindj op tied en lang genóg slieëptj. (=Alle moeders zijn blij wanneer hun kind op tijd en lang genoeg slaapt.) (Kinroois)
- alleej, alleej, alleej (=schiet op) (helmonds)
- alleej, vurèùt meej de gèèt. (=aansporing om op te schieten.) (Tilburgs)
- alléén ne graute hond kan twei nèstë werm haage (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden) (Munsterbilzen - Minsters)
- Allei, cirkulei, d'eraf of 'k zet oe deroep! (=Vooruit, rij door, ga van dat (voetpad), of ik zet je op de bon!) (Antwerps)
- Allein oppen druuege veultj 'ne vès natigheid! (=Alleen op het droge voelt een vis nattigheid!) (Kinroois)
- allemael zeik op de schup (=gezwets in de ruimte) (Betuws)
- Alles noavenant, as boter op de vloajka-nt (=Zeer royaal doen) (Zurriks)
- alles op 't spel zett'n (=alle risico's nemen) (Westerkwartiers)
- alles op aore en snaore zette (=alles doen om te bewerkstelligen) (Oudenbosch)
- alles op één koart zett'n (=alles op één ding inzetten) (Westerkwartiers)
- alles op hoar'n en snoar'n zett'n (=al het mogelijke doen) (Westerkwartiers)
- Alles op z'n effen leigen (=Alles op orde leggen) (Bevers)
- alles op zieëne tieëd en bokeskook in de herfst (=weerspreuk) (Weerts)
- Alles op zienen tied en boekende koe.k ien d' n herfst (=alles op zijn tijd) (Genneps)
- alles over één kam scheer'n (=alles op dezelfde manier uitvoeren) (Westerkwartiers)
- allewaajl moeste bekans zën ooge op zëne règ stoën hëbbe (=tegenwoordig moet je goed uit je doppen zien) (Munsterbilzen - Minsters)
- allieën'n: op mijn'n allieën'n (=op m'n eentje) (Lebbeeks)
- alling de zön geet vuur nieks op (=alleen de zon gaat voor niks op) (Sjeeter plat)
- aloverander (=een op twee) (Meers)
- Als een bok op de haoverkiste (=Ergens gretig op zijn) (Hoogeveens)
- Als je de koeraasje/courage ( op zn Frans uitspreken) hep om…etc. (=Al je het lef hebt om….) (Utrechts)
- Als klein jung op groetemins kakhuuskens goan, vallen ze door de bril (=Te veel riskeren is ook niet goed. is niet altijd goed) (Achels)
- Alsofst n jong baist op staale hest / Alsofs doe en jong baist op staale hest. (=Het stinkt hier verschrikkelijk. (Alsof je een jong beest op stal hebt staan)) (Oldambsters)
- Altied op de tjak wezen (=Vaak bij de weg wezen) (Giethoorns)
- ammòl op sjanternèl (=allemaal op stap) (Tilburgs)
- an een toer vedan, ait ver dan (=hij lag vaker naast de brommer dan op de brommer) (Twents)
- An hard lopen he-j nich völ, iej mot op tied van hoes goan. Wel te late is opstoan, möt n heeln dag op n draf goan (=Achter de feiten aanlopen) (Twents)
- An olde huzen en olde wieven va.t vaeke wat an op te knappen (=Aan beide komt mankeer) (Giethoorns)
- An olde meensen en olde uuzen valt altied wat an op te lappen (=Eens komt er mankeer) (Giethoorns)
- an olde uzen en an olde wieven valt altied wat an op te knappen (=Er komt aan beiden gebrek) (Giethoorns)
- An olde uzen en an olde wieven valt altied wat an op te lappen (=Er komt aan beiden mankeer) (Giethoorns)
- An olde uzen en olde wieven valt altied wat an op te knappen (=Er komt aan beide mankeer) (Giethoorns)
- an tijds (=stipt op tijd) (Waregems)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen